Misvattingen over vak: wezen is historische interesse; Geschiedenis is niet onmisbaar

Zal het geschiedenisonderwijs in ons land de basisvorming overleven? In deze krant zijn dienaangaande cynische, zorgelijke en bekommerde geluiden geuit zijn door prof. dr. H.L. Wesseling, prof. J.C.H. Blom en BK, de schrijver van de rubriek In de Marge (NRC Handelsblad 18 maart, 26 maart, 27 maart).

Dat nu "historische vaardigheden' en veertien centraal geformuleerde "kerndoelen' het meeslepende geschiedverhaal en het grote overzicht dreigen te overwoekeren, vervult hen met afgrijzen. Want geschiedenis, zo lijken ze te suggereren, is onmisbaar voor een beschaafd bestaan; of in de woorden van Blom: “de toekomstige elite heeft een belangrijke dosis geschiedenis nodig om maatschappelijk te kunnen functioneren.”

Het is echter de vraag of deze bekommernis hout snijdt. Zij stoelt in ieder geval op een merkwaardig utilitaristische opvatting van geschiedenis. En daarmee is zij in feite niets anders dan het spiegelbeeld van het utilitarisme der "geëngageerde' historici - die de wereld door middel van de geschiedenis wilden verbeteren - waarin de basisvorming uiteindelijk wortelt. Wat dat betreft, is zij ook doortrokken van hetzelfde moralisme, hetzelfde optimisme en hetzelfde misverstand.

Vorig jaar nog verscheen het polemische boek De vreugden van Houssaye. Apologie van de historische interesse van de jonge Belgische historici Tom Verschaffel en Jo Tollebeek. Hierin wordt op overtuigende wijze de utilitaristische drogreden in verband met het verleden ontrafeld. Geschiedenis die zich op het heden richt (om dat "beter' te maken of om de toekomstige elite bepaalde "waarden' mee te geven) is helemaal geen geschiedenis, betogen de twee, maar verhulde politiek of wereldoriëntatie in een net jasje. Geschiedenis is in essentie autonoom en de historische interesse heeft geen andere verdediging nodig dan het verleden zelf.

Er is dus ook geen enkel dwingend verband tussen de studie van het verleden en enig handelen, inzicht of maatschappelijke opstelling in het heden. Alleen voor degenen die op een deterministische en teleologische wijze geschiedenis opvatten zullen, zoals Blom blijkbaar wil, een college over de Tachtigjarige Oorlog in de prehistorie beginnen. Nog dagelijks blijkt tot welke pijnlijke mythes dit weven van lange draden door de geschiedenis heeft geleid. Voor een historicus ligt echter het verloop van het verleden geenszins vast: “Hij verplaatst zich,” schreef Huizinga, “voortdurend op het punt van het verleden, waarop de kenbare factoren nog verschillend uitkomsten schenen toe te laten.”

De conclusie is duidelijk: geschiedenis is een "nutteloze' discipline, ze heeft geen direkte functie waaraan zij een doel of belang ontleent. Geschiedenis vindt haar bestaansrecht eenvoudigweg in het feit dat mensen belang stellen in het verleden en dorsten naar kennis van voorbije dingen. Geschiedenis heeft als indirekte funktie dat zij een intellectuele habitus kan aankweken, net zoals filosofie, argumentatietheorie, atoomfysica, schaken en computerkunde dat overigens kunnen - vakken die bij mijn weten niet in de basisvorming zijn opgenomen.

Natuurlijk heeft geschiedenis ook een culturele functie in de zin dat elke samenleving behoefte heeft aan "onnodige' kennis, of zoals Paul Veyne geloof ik dat zo snedig uitdrukte: “L'Histoire est une activité culturelle et la culture gratuite est une dimension anthropologique.”

De valkuil waarin in ieder geval Blom en wellicht ook Wesseling en BK zijn gelopen, is typisch voor onze utilitaristische tijd. “Historici worden,” schrijven Verschaffel en Tollebeek, “voortdurend gedwongen - zij zwichten makkelijk - hun discipline te verdedigen door te wijzen op de relevantie ervan. Dergelijke rechtvaardigingen van het vak berusten op een misvatting, omdat zij voorbijgaan aan het wezen van de geschiedenis, namelijk de historische interesse. Zij legitimeren uitsluitend een instrumentalistische en dus wezenlijk onhistorische omgang met het verleden.” Zo blijkt het vurige pleidooi voor het belang van geschiedenis dus weinig meer dan een dodelijke rationalisatie.

Geschiedenis is in het dagelijks leven nimmer onmisbaar - het tegendeel te denken is absurd. Het is soms nuttig bepaalde dingen over het verleden te weten, voor politici, voor televisiekijkers, voor journalisten, maar dat heeft alles te maken met oriëntatie op de huidige wereld, en niets met geschiedenis omwille van het verleden zelf.

Betekent dit nu dat we de nieuwe "kerndoelen' van de basisvorming dienen te omarmen? Geenszins. Hoewel het aanleren van "historische vaardigheden' zeer nuttig kan zijn (en onderhoudend bovendien) hebben de criticasters gelijk dat de taal van de basisvorming verraadt op welke wankele luchtbelfilosofietjes de hele vernieuwing van het geschiedonderwijs is gestoeld. Het is overigens een taal die de hoogleraren allicht zullen herkennen uit het academisch circuit, waar in soortgelijke pompeuze bewoordingen grootschalige historische projecten, prestigieuze onderzoekscholen, en ambitieuze "ijkpuntenonderzoek' aan de man wordt gebracht.

Want wat dat betreft hebben de universiteiten voldoende boter op het hoofd. Sombere toeschouwers zouden zelfs kunnen menen dat de basisvorming daar allang begonnen is. Er zijn in Nederland historische instituten waarin het curriculum voorziet in niet meer dan vijf weken snuffelen aan de oudheid. De eis dat leerlingen van middelbare scholen terug naar de prehistorie moeten om de Tachtigjarige Oorlog te kunnen begrijpen, klinkt dan wat hol. Aan de Universiteit van Leiden wordt, zo heb ik horen verluiden, jaarlijks een interessant onderzoek gedaan onder geschiedenisstudenten door de wetenschappelijk medewerker Th. von der Dunk (de zoon van de cultuurhistoricus). Hij legt hun een blanco kaart van Europa voor die zij zelf moeten invullen. Het aantal aankomende doctorandi dat de hoofdstad van België, Denemarken en Oostenrijk niet weet te noemen, schijnt onthutsend te zijn. De Afrikaanse landen aan de zuidkant van de mediterrannée blijken volslagen terra incognita. Gelukkig maar dat "historische vaardigheden', zoals het zoeken in een atlas hier opluchting kan brengen.

Er is iets tragisch aan de hand met geschiedenis in Nederland, wil ik maar zeggen. Zelden zijn er zovele professionele historici geweest, zelden zijn er zovelen die op de bres kunnen springen als het onderwijs bedreigd of uitgehold wordt, maar ze missen iets - misschien de echte historische passie waar Verschaffel en Tollebeek in hun boek naar op zoek zijn. Professor dr. P.W. Klein liet zich laatst in het Historisch Nieuwsblad ontvallen dat Nederlandse historici vooral middelmatig zijn. “Ze zijn niet slecht, maar ook niet uitzonderlijk goed,” constateerde hij. Daarbij rijst de vraag hoeveel middelmatige historici een land nodig heeft om gelukkig te worden.