Kolonel Alvaro Prendes, piloot, dichter en dissident: Wie Cuba wil redden moet realistisch zijn

Kolonel Alvaro Prendes, straaljagerpiloot en dichter, ooit een held van de Cubaanse revolutie, is nu een dissident. Het bewind van Castro acht hem des te gevaarlijker omdat hij zijn oppositie van binnenuit voert en niet uitweek naar het buitenland. Vorig jaar publiceerde hij een open brief waarin hij om hervormingen vroeg. Vrienden vrezen voor zijn leven.

HAVANA, 31 MAART. Zijn woning in de door het Cubaanse leger gedomineerde wijk Kohly van de hoofdstad Havana lijkt nog het meest op een museum van de revolutie, van het communisme en van de opmerkelijke loopbaan van kolonel Alvaro Prendes - straaljagerpiloot, oorlogsheld, schrijver, componist, dichter, dissident.

In de hal hangen foto's van Prendes met Comandante Fidel Castro na de mislukte invasie van de Varkensbaai, van Prendes in een stevige omarming met Raúl Castro, de nummer twee in de Cubaanse hiërarchie en minister van defensie en met Joeri Gagarin, de eerste Sovjet-kosmonaut. Boven, in zijn studeerkamer, liggen Sovjet-speldjes en dichtbundels naast elkaar op een plank. Op een pedestal zijn vliegershelm met zuurstofslang uit zijn MiG-21 straaljager. Diploma's aan de muur. Van de Cubaanse luchtmacht, van de Hogeschool van de Sovjet-luchtmacht, maar ook van de Amerikaanse luchtmacht, die "second lieutenant Alvaro Prendes' in 1954 op Luke Air Force Base, Glendale, Arizona een "combat crew training' gaf voor de F-84. Ook is er de Prijs van de Kritiek 1982 voor zijn boek Oorlogsvlieger; een poster van Marx; een fotoportret van “mijn goede vriend” Ernesto "Che' Guevara, en een buste van Lenin in het raamkozijn. “Ik verander niets aan mijn huis”, zegt kolonel Prendes, “dat is een kwestie van eerlijkheid, dit is mijn leven geweest”. Oprecht en rechtop, zo karakteriseren zijn vrienden El Tigre ("de tijger') Prendes, een bijnaam die hij overhield aan zijn roepnaam als gevechtsvlieger: Tiger One.

Buiten de lommerrijk gelegen woning zijn af en toe functionarissen van de staatsveiligheidsdienst te zien die hem moeten schaduwen. De gebroken ruiten in het huis zijn een aandenken aan de zogenaamd spontane bijeenkomst van een van de Brigadas de Acción Rapida - georganiseerde volkswoede tegen dissidenten en opposanten van het Cubaanse regime. Urenlang hieven de als "het gewone volk' vermomde agenten van het ministerie van binnenlandse zaken spreekkoren aan. Prendes, die tot voor kort als één van de helden van Cubaanse revolutie bekend stond, werd nu uitgemaakt voor landverrader, hoerenzoon en onderkruiper.

El Tigre deed de deur van zijn huis open, zegt een van zijn vrienden, stapte naar buiten en zei tegen de menigte: “Ik doe dit ook voor jullie.” Prendes nu: “Ik zei ze dat ik nog steeds dezelfde was: held van de Varkensbaai, socialist, revolutionair. Dat ik nog steeds geloofde in de Comandante en Jefe (Castro), maar ze wilden niet naar me luisteren.”

Het luisteren doet de staatsveiligheidsdienst nu. In zijn studeerkamer, waar het vraaggesprek op band wordt opgenomen, wijst Prendes veelbetekenend naar het plafond. Hij kan hier niet alles zeggen. Ook in de relatieve privacy van de woonkamer beneden moet anderhalf uur later het nagesprek abrupt worden beëindigd als zijn huishoudster, een informante van de politie, binnenkomt.

“El Tigre vreest voor zijn leven”, zeggen goede vrienden van de kolonel, “we verwachten dat hij ieder moment kan worden opgepakt op een verzonnen aanklacht en Ochoa achterna gaat”. Brigadegeneraal Arnaldo Ochoa werd op 13 juli 1989 door een vuurpeloton geëxecuteerd nadat een militaire rechtbank hem ter dood had veroordeeld op beschuldiging van (nooit definitief bewezen) corruptie en drugsmokkel, maar waarschijnlijk wegens de bedreiging die de populaire brigadegeneraal begon te vormen voor Castro.

Kolonel Alvaro Prendes steekt Ochoa naar de kroon waar het om patriottisme, revolutionaire bevlogenheid en populariteit binnen de strijdkrachten gaat. Geboren in 1928 in Guantánamo in het oosten van Cuba, studeerde hij in 1954 af als gevechtsvlieger in de Verenigde Staten. Als piloot in de luchtmacht van de toenmalige Cubaanse dictator Fulgencio Batista werd Prendes in september 1957 met een lading bommen afgestuurd op de rebellenstellingen van Castro en de zijnen nabij de stad Cienfuegos. Prendes dumpte zijn bommen in zee en werd door een krijgsraad veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf.

Na twee jaar kwam hij vrij: de revolutie van Castro en de zijnen had intussen getriomfeerd. Prendes was een held, een status die nog werd verhoogd door zijn inbreng in de slag om de Varkensbaai in 1961, toen Cubaanse ballingen met steun van de Amerikaanse CIA een invasie in Cuba probeerden uit te voeren. Prendes vloog veertien missies waarbij hij drie vijandelijke toestellen neerhaalde.

In de daarop volgende drie decennia steeg Prendes niet alleen in de militaire hiërarchie, hij trainde ook piloten, leidde squadrons in de oorlogen waaraan Cuba in Afrika deelnam en wijdde zich aan zijn andere passies: schrijven en componeren. Hij publiceerde zijn ervaringen als gevechtsvlieger in de triologie In het mikpunt van mijn zoeker, Oorlogsvlieger en Proloog van een slag. Nu schrijft hij aan een vierde boek over zijn meest recente ervaringen met de revolutie in Cuba. In 1990 verscheen zijn dichtbundel Een roos van vuur en rook. Hij werkt aan een nieuwe bundel met wat hij poesá reactiva noemt over "de wereld in het universum' - “Als je met een MiG-21 op 70.000 voet vliegt, en je ziet dat het dag is op aarde, onder je, en boven je zie je de nacht; de sterren, de sterren. Die wereld heeft me altijd gefascineerd”.

Op 3 december vorig jaar veranderde zijn leven op slag. Toen keerde Prendes zich als derde hoge militair in de afgelopen jaren openlijk tegen het regime van Fidel Castro, maar hij was de eerste die niet naar de Verenigde Staten uitweek. In een open brief aan Castro schreef Prendes onder andere: “De huidige mondiale omstandigheden dwingen ons voort te gaan met een realistische lijn” en “als we Cuba willen redden, dan moeten we niet de dogmatische posities versterken, maar, integendeel, ons flexibel opstellen”. Prendes vroeg Castro, in navolging van eerdere dissidenten, om “een nationale dialoog en een economische opening”. De brief werd tijdens een persconferentie voor in Havana geaccrediteerde buitenlandse correspondenten openbaar gemaakt. De reactie van Fidel Castro bleef niet lang uit.

Prendes: “Na de Meeting de Repudio bleef het huis omringd door veiligheidsagenten. Mijn vrienden werden op het politiebureau ondervraagd en vastgehouden. Mijn huishoudster van toen mocht niet langer bij me werken. Het was een moeilijke situatie. Toen verscheen een legerkapitein die me sommeerde mee te gaan naar een militair comité voor "een bureaucratische kwestie'. Dat bleek een soort eretribunaal of krijgsraad van officieren, generaals en kolonels, die me op harde toon beschuldigden van landverraad. Ik antwoordde op dezelfde toon dat ik een grotere patriot was dan zij, en er onstond een discussie. Toen lazen ze een bevel voor van de generale staf van de strijdkrachten, waarin al mijn onderscheidingen werden afgenomen en ook de graad van "eerste commandant' - het equivalent van een generaal - waarmee ik was afgezwaaid, en daarmee ook mijn pensieoen en sociale zekerheid. Nu ben ik afhankelijk van mijn vrienden en de katholieke kerk.”

Zo leeft de voormalige held van de revolutie drie maanden later nog steeds, vrijwel opgesloten in zijn huis. Bang voor wat kan komen, zeggen vrienden. Bang voor de gevolgen voor zijn familie. De kolonel heeft een zoon op de middelbare school. Zijn vrienden zien in het lot van Prendes, evenals de executie van Ochoa, vooral ook een harde waarschuwing aan de Cubaanse strijdkrachten om zich niet met "anti-revolutionaire zaken' in te laten. Maar, zegt een betrokkene: “het borrelt binnen de strijdkrachten. Er zijn velen zoals Prendes, veel officieren die zich afvragen waar het met hun land naar toegaat. Er zijn er bij die overwegen Castro te vermoorden. Die hem het liefst in het openbaar zouden willen lynchen. Vergeet niet dat Ochoa een uiterst populaire generaal was. Met Prendes is dat niet anders”.

In uw brief roept u op tot een 'nationale dialoog'.

“Die brief volgde op jarenlange vruchteloze pogingen om een onderhoud te krijgen met de Comandante en Jefe, de minister van defensie of welke andere leider ook. Ik kreeg nooit antwoord. Ik ging naar het Centraal Comité en zei dat ik er pas weg zou gaan als ik antwoord zou krijgen op mijn verzoeken. Tevergeefs. Er bleef me niets anders over dan de brief, die ik helaas via een persconferentie openbaar moest maken, anders zou de commandant hem nooit onder ogen hebben gekregen.

“Bij de dialoog moeten àlle Cubanen worden betrokken, ook zij die momenteel in het buitenland leven. De enige voorwaarde moet zijn dat zij het vaderland liefhebben en het willen verbeteren, zodat we uit de economische crisis kunnen raken waarin we nu leven en waaronder het hele volk lijdt. Er moeten nationale verkiezingen worden gehouden waaraan iedereen kan deelnemen en zijn eigen mening naar voren kan brengen. Het moet een oproep tot harmonie zijn.

“Een ander belangrijk punt uit de brief is de economische opening. Die moet leiden tot gecontroleerde buitenlandse investeringen, zonder dat onze principes worden aangetast en zonder souvereiniteitsverlies. Ik ben verbaasd dat juist deze twee punten mij door de regering kwalijk worden genomen. Eerste punt: onlangs zag ik onze Comandante op de televisie tijdens een persconferentie voor buitenlandse journalisten. Toen zei hij dat de verkiezingen in de toekomst nog geperfectioneerd moeten worden, dat dit een stap voorwaarts was. Dat vind ik ook, dat is exact wat ik heb geschreven.

“Tweede punt: op die persconferentie vroeg een journalist naar de economische opening. Als ik me goed herinner zei kameraad Fidel dat we er nog niet helemaal klaar voor waren, maar dat er wel voorbereidingen worden getroffen voor een economische opening met kapitaal uit verschillende landen. Ik word dus gestraft voor wat ik in mijn brief heb geschreven, terwijl de Comandante op televisie hetzelfde zegt”.

Na wat er de afgelopen maanden is gebeurd, blijft u zichzelf een revolutionair noemen en blijft u geloven in het politieke en sociale experiment dat de Cubaanse revolutie wordt genoemd?

“Dat is geleidelijk gegaan. Sinds de triomf van de revolutie in 1959 is het Cubaanse volk praktisch verliefd geweest op de revolutie en haar leider, Fidel Castro. Na de ineenstorting van het socialistische kamp in Oost-Europa, de fouten die daar zijn gemaakt, ben ik mij ervan bewust geworden dat ook wij in Cuba die fouten hebben begaan. Comandante Fidel Castro heeft dat zelf toegegeven. Ik blijf een socialist, maar met een nieuwe betekenis van socialisme: democratisch socialisme, die een economische opening met zich meebrengt, het opbloeien van het land, van de burgers.

“Het voorbeeld is het socialisme in landen als Noorwegen en Zweden waar niet zo'n wreed kapitalisme heerst als in sommige andere landen, maar wel een hoge levensstandaard en maatschappelijk rechtvaardigheid. Daar geloof ik in, maatschappelijke rechtvaardigheid zoals we hier gezondheidszorg en onderwijs voor allen hebben. Dat moeten we ook behouden en verder verbeteren”.

U bent gevechtsvlieger en dichter. Een opmerkelijke combinatie.

“Ik ben een hybride figuur. Een man van actie en een man van gedachten. Achter het ijzeren masker dat ik aan de militaire academies heb overgehouden ben ik een gevoelig mens, en ik ben niet bang dat te erkennen. Gevechtsvlieger zijn was altijd mijn roeping. Het technologische deel is aantrekkelijk, maar ook de motivatie. Zonder motivatie word je nooit een goeie vlieger”.

De verbazing lijkt bij kolonel Prendes groter dan de verontwaardiging over wat hem is aangedaan na de publikatie van zijn open brief. “Ik beschouw mezelf niet als dissident, ik behoor niet tot de oppositie”, zegt hij. “Ik ben Cubaan, een man die van zijn vaderland houdt. Ik tracht oprecht te zijn, te doen wat ik moet doen. Ik behoor tot geen enkele groepering, niet hier en niet in het buitenland. Ik ben geen politicus, ik ben gevechtsvlieger en schrijver; een man die nadenkt.

“Een uitweg lijkt moeilijk, zo niet onmogelijk. Er zijn twee mogelijke oplossingen: een gewelddadige of een van geleidelijke veranderingen. Er is nu een nieuwe Amerikaanse regering onder William Jefferson Clinton. Ik geloof dat met wat harmonie, met wat toegeven aan beide zijden, een akkoord over een vreedzame oplossing mogelijk is en een traumatische, gewelddadige oplossing kan worden vermeden. Dat laatste zal verschrikkelijk zijn en dat wil ik in mijn vaderland niet meemaken”.

U zegt "toegeven'. Gelooft u dat een man die de leuze "Socialisme of de dood' tot zijn lijfspreuk heeft gemaakt bereid is tot toegeven?

Prendes glimlacht en kijkt naar het plafond. Hij denkt even na en zegt: “Het is mogelijk en ook niet. Het laatste wat de mens verliest is hoop, zeggen ze. Ik wil de hoop niet verliezen dat de president, de Comandante, gezien de vreselijke situatie die we hebben, gezien het feit dat we een onmogelijke strijd leveren, ten minste wil nadenken over vreedzame veranderingen in Cuba”.