"Keten is de mode, doodmoe word je van al die pubers'

De commissie-Van Es wil dat leraren anders gaan werken. Hoe denken leraren zelf over hun beroep? Maaike Visser zit al 32 jaar in het vak. “Ik ben een onderwijsdier.” Tweede deel in een korte serie portretten.

GOUDA, 31 MAART. “Toen ik begon als lerares kreeg ik een huis cadeau.” Als twintigjarige, net van de kweekschool, begon Maaike Visser in 1960 haar carrière voor de klas. Ze gaf Nederlands aan een MULO in de Jordaan. Het tekort aan leraren was in die tijd zo groot, dat een beginnend leraar de wethouder van onderwijs kon inschakelen om een woning te regelen. “Als ik aan zee had willen wonen, had ik een baantje genomen in Katwijk of Noordwijk. Ik ben nog van de goeie tijd.”

“Een onderwijsdier” noemt ze zichzelf. “Op mijn vijfde speelde ik al schooltje. En op mijn vijftiende wist ik: ik wil lerares Nederlands worden.” Maar de eerste acht jaar ging ze met buikpijn van de zenuwen naar school. Haar zwakke kant als lerares is orde houden. “Ik ben een kind van de jaren zestig, een "softie', en heb moeite met autoriteit.”

Vroeger leed ze onder het commentaar van haar collega's, die luisterden of er kabaal uit haar lokaal kwam. “Dan zeiden ze tegen elkaar: "Die kan het nog lang niet'. Dat is nu anders. Nu durf ik mijn blunders gewoon te vertellen. Zo loop ik wel eens de klas uit, als ik ze echt niet naar mijn hand kan zetten. Dan ga ik in de lerarenkamer zitten in de ijdele hoop dat ze me komen halen.”

Tien jaar geleden kwam ze op het Crabeth College in Gouda, een school voor middelbaar beroepsonderwijs. “Hier zijn de leerlingen wat ouder en gemotiveerder. Dat vind ik toch het leukst.” Haar schrikbeeld is de tweede klas voortgezet onderwijs. “Die kinderen zijn moeilijk te motiveren. Daar ben je een "stuudje' als je je huiswerk maakt. Keten is de mode. Doodmoe word je van al die pubers.”

Het irriteert haar als buitenstaanders zeggen: wat een luizenleven, 28 uur per week lesgeven' “Ze vergeten dat je ook nog moet nakijken en lessen voorbereiden, zelfs in het weekeinde.” Ze haalt haar houten, aan de hoeken versleten correctieplank te voorschijn. “Als ik uit school kom, ben ik doodmoe. Dan zit ik niet lekker aan mijn bureautje. Dus ga ik op de bank zitten corrigeren, met deze plank op schoot.”

In de schoolkrant heeft ze haar eigen rubriek: "Dagboek van een senior'. Ze vertelt haar ervaringen als "senior voor de klas', en haalt herinneringen op aan de jaren zeventig en Chanel-mantelpakjes. Maar ze schreef ook een keer een "Dagboek van een junior' waarin ze, ter afwisseling, zelf de vloer aanveegde met het gezeur van oudere leraren.

In de positie van de leraar is de afgelopen drie decennia veel veranderd. “Het onderwijs wordt ziek”, constateert ze somber. “Ik zit gebeiteld: een vaste aanstelling en hoog op de afvloeiingslijst. Maar voor jonge leraren is het vooruitzicht op wachtgeldregelingen en op andere garanties zwak. Ik heb veel collega's gezien die er uitstapten. Niet omdat ze leerlingen niet aankonden, maar omdat ze zich niet gewaardeerd voelden. Zelf heb ik gelukkig vaak van school kunnen veranderen. Dat voorkomt dat je verzuurt. Maar het nare is, dat mensen niet meer kunnen wisselen.”

Toch zou ze, als ze nu moest kiezen, weer leraar worden. “Ik kan niet anders. Het schoolleven heeft me altijd getrokken. Ik vond het vroeger al heerlijk op school en lees nog altijd graag boeken over school. De beste leraren teren op jeugdsentiment.”