Fiscale uitstapjes

OP VIER UUR RIJDEN van de Nederlandse grens ligt het belastingparadijs Luxemburg. Een dagtocht is met een volle tank benzine gemakkelijk gemaakt en bij de lokale banken spreekt men Nederlands. Wie avontuurlijker is ingesteld en zijn of haar geld onbelast wil wegzetten, kan terecht op de Britse Kanaaleilanden of op de Nederlandse Antillen, zonnig en dagelijks per lijnvlucht vanaf Schiphol bereikbaar. Voor Nederlanders die hun spaartegoeden buiten de handen van de fiscus willen houden, bestaan aantrekkelijke bestemmingen.

Het mag een teken van fiscale beschaving heten dat veel spaarders desondanks bereid zijn hun geld in Nederland te beleggen in zogenoemde rentegroeifondsen. Mede dank zij de hoge rentestand is in enkele jaren tijd 13,5 miljard gulden in dergelijke fondsen ondergebracht. Deze fondsen keren geen belastbare rente uit, maar onbelaste koerswinst. Voor een spaarder die te maken heeft met een marginale belastingdruk van 50 of 60 procent (en dat is het geval vanaf een belastbaar inkomen van ƒ 42.992 resp. ƒ 85.930), biedt dat voordelen, ook al is de koerswinst niet uitbundig omdat het fonds zelf belasting afdraagt. Dergelijke groeifondsen betalen 35 procent vennootschapsbelasting. Als het spaargeld naar een belastingvriendelijk buitenland zou verdwijnen, vangt de fiscus niets.

Creatieve politici hebben hun pijlen gericht op de rentegroeifondsen nu de balts voor de begroting 1994 is begonnen. Ingeklemd tussen geldgebrek en de wens de werkgelegenheid te bevorderen zoekt politiek Den Haag naar manieren om het ene gat met het andere te dichten. Fractievoorzitter Wöltgens (PvdA) heeft de fiscale aftrekbaarheid van het groot onderhoud voor huizenbezitters als bron van werk in de bouw herontdekt. De fiscale specialisten van CDA en PvdA, Vreugdenhil en Vermeend, hebben voorgesteld de vermogensbelasting voor ondernemers/eigenaren af te schaffen. Dat moet het ondernemerschap bevorderen, zodat meer bedrijvigheid ontstaat, én een einde maken aan de vlucht van kapitaalkrachtige zakenlieden naar België dat geen vermogensbelasting kent.

HET IS PRIJZENSWAARDIG dat de politiek stimulering van de werkgelegenheid niet langer zoekt in gesubsidieerde banenplannen en overheidsbemoeienis. Al die initiatieven uit het verleden hebben tot niets geleid. Vermindering van de belastingdruk is een betere manier om wit werken te stimuleren, maar ook dat kost geld. Het heeft evenwel geen zin om dit te financieren door op een ander punt de belastingdruk te verhogen. Het gevolg van het voorstel Vermeend/Vreugdenhil om rentegroeifondsen hoger te belasten leidt ongetwijfeld tot een hernieuwde vlucht van spaargeld. Dat gebeurde ook toen minister van financiën Kok enkele jaren geleden voorstelde de belastingvrijstelling voor spaargeld te halveren. Hij kwam haastig op zijn plannen terug, maar Belgische en Luxemburgse banken konden de toestroom van Nederlandse klanten nauwelijks aan.

Afschaffing van de vermogensbelasting - niet alleen voor ondernemers maar ook voor particulieren - moet worden betaald door vermindering van de uitgaven. Daarnaast moet de rente- en dividendvrijstelling (ƒ 1.000 per persoon) die in 1987 is ingesteld door Ruding, worden verhoogd in verband met de inflatie uit de tussenliggende jaren en de Europese fiscale harmonisatie. In Duitsland bedraagt de rentevrijstelling DM 10.000.

AAN NIEUWE UITSTAPJES voor spaargeld heeft Nederland niets. Stimulering van de werkgelegenheid door lagere lastendruk is meer dan welkom, maar banenplannen moeten niet tot fiscale gelegenheidsregels leiden.