Ethisch ondernemer zoekt uitweg in morele mode

De kledingbranche toont groeiende belangstelling voor maatschappelijke thema's. Want consumenten houden bij hun inkopen meer rekening met mens-, dier- en milieuvriendelijkheid. De Bijenkorf kiest voor een revolutionaire wijziging in zijn inkoopbeleid.

De verkoopsters van de Benetton-winkels waren het goed zat: al die klanten die in de zakken met tweedehands kleren graaiden, op zoek naar koopjes. Iedere keer moesten ze uitleggen dat die kleren niet voor de verkoop waren, maar voor mensen in arme landen.

De kledinginzamel-actie van Benetton is achter de rug. Vorige week is het logistieke apparaat van de Italiaanse modegigant in beweging gekomen om bij 5500 winkels in tachtig landen de ingezamelde kleding op te halen. Liefdadigheidsinstellingen als het Leger des Heils en Caritas zorgen ervoor dat de kleren terechtkomen bij de mensen die ze het hardst nodig hebben.

Het "kleding herdistributie project' van Benetton was niet het eerste in zijn soort. In januari riep het Amerikaanse kledingconcern Perry Ellis onder het motto Lose Your Blues jonge Amerikanen op hun oude spijkerbroeken af te staan voor daklozen. De actie, onderdeel van een campagne voor een nieuwe jeanslijn voor 18-tot 25-jarigen, speelde in op het sociale en politieke bewustzijn van de Amerikaanse jeugd. Lose your blues - doe iets voor een ander en je voelt je beter.

Een toenemend aantal Amerikaanse kledingbedrijven gebruikt zijn vestigingen, produkten en reclamecampagnes om ideële doelen te bereiken. Voorbeelden zijn Esprit, een bedrijf dat bedreigde culturen en ambachten door werkverschaffing steunt, Nike met z'n innercity projects voor kansarme jongeren en Patagonia, een bedrijf dat sport- en vrijetijdskleding maakt maar meer weg heeft van een milieu-organisatie. Patagonia's eigenaar Yvon Chouinard schenkt jaarlijks tien procent van de winst voor belasting, ongeveer een procent van de omzet van 120 miljoen dollar, aan milieuprojecten. In de catalogus van Patagonia roept hij klanten op om minder te consumeren ("vier overhemden is genoeg') en alleen unfashion te kopen, kleding die niet uit de mode raakt en dus lang meekan. Chouinard gebruikt zijn bedrijf ook om invloed uit te oefenen op de politiek en op andere Amerikaanse bedrijven. Hij is lid van het Social Venture Network, een club van 400 caring companies. De leden komen twee keer per jaar bijeen om te praten over maatschappelijke problemen en te bedenken wat ze eraan kunnen doen.

In Europa is een soortgelijk netwerk van geëngageerde bedrijven in oprichting. Een van de betrokken ondernemers is Jan Oosterwijk, directeur van The Body Shop Benelux. Oosterwijk gelooft dat in Europa de tijd rijp is voor zo'n netwerk. “In Nederland en andere Europese landen heeft altijd een scheiding bestaan tussen zaken en idealen. Overdag doen mensen hun werk, 's avonds zetten ze zich in voor het goede doel. Inmiddels is gebleken dat dat kan worden gecombineerd. Het bedrijfsleven kan sociale thema's meenemen in z'n reclamecampagnes en de onderneming gebruiken als vehicle of social change. De detailhandel kan in dit opzicht een voortrekkersrol spelen en consumenten-power oproepen.”

Oosterwijk is ervan overtuigd dat consumenten de filosofie van een bedrijf steeds zwaarder meewegen in hun aankoopbeslissingen. Het succes van zijn eigen onderneming lijkt dat te bevestigen. Cosmetica kun je overal kopen, maar bij The Body Shop weet je dat er geen dierproeven aan te pas zijn gekomen.

Als consumenten inderdaad bij hun aankopen meer rekening gaan houden met de mens-, dier- en milieuvriendelijkheid van bedrijven, kan dat voor de kledingbranche verstrekkende gevolgen hebben. De textielindustrie is zwaar milieuvervuilend, de kledingindustrie laat in Derde-Wereldlanden en illegale ateliers mensen werken onder slechte omstandigheden. Op het moment dat de consument zich ervan bewust wordt dat dit de werkelijke prijs is van mode, ontploft er een bom onder de stoel van de kledingbranche.

De eerste tekenen van onvrede onder consumenten zijn er al. In Friesland leverde een actie tegen gevaarlijke verfstoffen, formaldehyde en resten van landbouwbestrijdingsmiddelen in baby- en kinderkleding 12.500 handtekeningen op. Initiatiefnemer Douwe Kooyman, eigenaar van een baby- en kinderkledingwinkel in Leek, die zich al jaren boos maakt over de schadelijke chemische bestanddelen in kleding, heeft de handtekeningen afgeleverd bij het ministerie van WVC, dat onderzoek heeft toegezegd. Effectiever dan deze handtekeningenactie is de consumentenactie tegen Wal Mart, een Amerikaanse supermarktketen. Wal Mart kwam in het nieuws door een reportage van NBC over de Indiase kledingindustrie. Televisiekijkers zagen kleine Indiase meisjes kleren naaien voor Wal Mart. Het publiek reageerde massaal met een kopersstaking.

Pag.24: "Echte waarden' verdringen aandacht voor stofbreedte en roklengte

Kledingindustrie en -handel houden zich sinds eeuwen bezig met stofbreedtes en roklengtes, maar worden nu geconfronteerd met begrippen als "morele mode' en "farma fashion'. In prognoses voor de branche staat dat de consument niet meer op zoek is naar een lifestyle, maar naar "echte waarden'. De invloedrijke modetrendadviseur Danielle de Diesbach, mededirecteur van het Franse bureau Promostyl, spreekt over de "innerlijke kwaliteit van stoffen', over de "no-style' en "minder is meer', over materialen voor mensen met allergieën en over stoffen die te recyclen zijn.

De Nederlandse modedetailhandel reageert verdeeld op dit soort verhalen. Sommige bedrijven denken dat ook deze trend wel weer voorbij zal gaan, andere wachten af wat de concurrentie doet. Maar er zijn ook winkels, zoals De Bijenkorf, die heel voorzichtig zijn begonnen met kleine series min of meer milieuvriendelijke kleding. Voor De Bijenkorf is dit het begin van een revolutionaire verandering van het inkoopbeleid, waarvan de resultaten vanaf september in de zes filialen te zien zijn. Inkoopdirecteur Jan Huisman: “Vanaf komend najaar wil De Bijenkorf voor elke produktgroep een milieuvriendelijk alternatief in de winkels hebben. We zijn nu een lijst aan het maken voor de inkopers om vast te leggen welke milieuvriendelijke produkten ze moeten inkopen.”

De Bijenkorf heeft drie jaar geleden, geadviseerd door het Instituut voor Milieu en Systeemanalyse (IMSA), een milieubeleidsplan opgezet. In een beleidsverklaring werd geformuleerd dat bedrijfsvoering en produkten milieuvriendelijker moeten worden. De afgelopen jaren is intern veel verbeterd op milieugebied en is onderzoek gedaan naar milieuvriendelijke alternatieven voor produkten. Die inspanning moet nu zichtbaar worden voor de klanten. Huisman: “Voor de inkopers is dit een enorme opgave, want ook voor milieuvriendelijke produkten geldt dat prijs, kwaliteit en stijl goed moeten zijn. Zeker in deze tijd, nu het wat minder gaat, is de prijs een belangrijk aspect. Voor sommige produkten is het heel moeilijk een milieuvriendelijke variant te vinden. We hebben bij voorbeeld ontzettend gezocht naar alternatieven voor sportsokken en trainingspakken.” Veel detaillisten vragen zich af hoe de consument zal reageren op milieuvriendelijke kleding. Wat gebeurt er als deze kleding naast reguliere artikelen hangt? Zal de consument denken dat de traditioneel geproduceerde kleding van inferieure kwaliteit is, of misschien zelfs schadelijk voor de gezondheid? Omdat het antwoord uitblijft, kijken de meeste winkeliers voorlopig de kat uit de boom. Het ministerie van VROM heeft daarom het Instituut voor Toegepaste Milieu-economie (TME) in Den Haag opdracht gegeven samen met de interfacultaire vakgroep Milieukunde van de Universiteit van Amsterdam te onderzoeken met welke marketingaanpak de detailhandel op milieuvriendelijke kleding zou kunnen overschakelen.

Een tweede probleem voor de modedetailhandel is dat er nog geen milieu-label voor kleding bestaat, buiten het Eko-keurmerk voor biologische katoen. Dit keurmerk - toegekend door Skal in Zwolle, controle-organisatie voor biologische produktiemethodes - garandeert dat de katoen zonder chemische bestrijdingsmiddelen en kunstmest is geteeld en dat ook bij de verwerking ervan tot textiel geen gebruik is gemaakt van chemisch gesynthetiseerde stoffen. De gebruikte verfstoffen vallen niet onder de garantie.

De Stichting Milieukeurmerk in Den Haag heeft onlangs besloten een milieukeur voor kleding te ontwikkelen en stelt daarvoor nu normen op. Ze gaat daarbij niet uit van het eindprodukt, maar van de hele levenscyclus van kleding, omdat in elke fase daarvan milieubelasting optreedt: bij vezelproduktie, textielfabricage, veredeling (wassen, bleken, krimpvrij maken, verven), kledingproduktie, gebruik (wassen, stomen), hergebruik en afvalverwerking. Haar kledingkeur zal eind dit jaar beschikbaar zijn.

Het Eko-keurmerk van Skal is toegekend aan de T-shirts uit Peru die Greenpeace sinds enkele weken via z'n catalogus verkoopt en aan de Ecotton van Bo Weevil, een onderneming uit Ermelo. Dit bedrijf koopt biologisch geteelde katoen in van boeren in Turkije, Paraguay en India, en laat hiervan bij de Twentsche Tricotagefabriek in Dedemsvaart textiel breien. Tot de paar Nederlandse bedrijven die kleding maken van biologisch katoen behoren Koala uit Aalten, dat net z'n eerste collectie gecertificeerde shorts, shirts en nachtkleding op een beurs heeft gepresenteerd, en Ergane, een piepklein confectiebedrijf uit Arnhem. Wieneke Reith, eigenares van Ergane, verkoopt haar kleding van ongebleekte en ongeverfde biologische katoen voorlopig alleen aan zogenaamde natuurkledingwinkels en alternatieve postorderbedrijven in Nederland, Duitsland, België en Luxemburg. In Nederland zijn twee natuurkledingwinkels, Falkland in Driebergen en Obilot in Zutphen, en bestaat een postorderbedrijf, Alver in Meppel, dat milieuvriendelijke produkten verkoopt, waaronder kleding. Over enkele maanden komt Ten Cate uit Geesteren, fabrikant van het aloude Hollandia-ondergoed, met een collectie biologisch ondergoed op de markt.

Maken in Duitsland al tientallen confectiebedrijven milieuvriendelijke kleding van natuurlijke of synthetische materialen, de Nederlandse confectie-industrie heeft een groot gebrek aan milieukennis. Dat constateerde het Produktcentrum van TNO in Delft onlangs tijdens een onderzoek voor PTT Post. De afdeling Kunst en Vormgeving van de PTT ontwikkelt nieuwe bedrijfskleding voor een belangrijk deel van het personeel en vindt het tot de maatschappelijke verantwoordelijkheid van het bedrijf behoren ervoor te zorgen dat die kleding milieuvriendelijk wordt geproduceerd. Samen met het Produktcentrum van TNO heeft de PTT alle problemen die zich daarbij zouden kunnen voordoen doorgespit. Zelfs is bekeken of het mogelijk is gedragen bedrijfskleding te recyclen. Over circa twee maanden zullen de eerste prototypes van de nieuwe bedrijfskleding aan het personeel worden getoond.

Volgens Pam Schellekens van de afdeling Kunst en Vormgeving zijn grote opdrachtgevers als de PTT hard nodig om de Nederlandse kledingindustrie te pushen in de richting van een milieubewustere bedrijfsvoering. “Want zolang er geen vraag is, blijken de meeste bedrijven niets te doen”, aldus Schellekens. In Duitsland spelen twee grote confectieproducenten, Steilmann in Bochum-Wattenscheid en Kunert in Immenstadt, een voortrekkersrol op milieugebied. Steilmann is met 8000 werknemers in Duitsland een van Europa's grootste confectiebedrijven. Sinds 1989 doet het onderzoek op milieugebied; twee jaar geleden is zelfs een eigen onderzoeksinstituut opgericht onder leiding van prof.dr. Wolf Hartmann. In de dochteronderneming Kekko in Heiligenstadt (Thüringen) worden verf- en veredelingsprocédé's ontwikkeld die minder vervuilend zijn voor water en lucht, en besparing van grondstoffen, water en energie opleveren. De inkoopvoorwaarden en produktiemethodes van de Steilmann-bedrijven worden voortdurend bijgesteld aan de hand van de nieuwste ecologische en technologische kennis. De onderneming heeft vorig jaar twee ecologische proefcollecties gemaakt en brengt over twee maanden de eerste commerciële eco-collectie op de markt.

Het Klaus Steilmann Institut für Innovation werkt niet alleen voor de Steilmann-groep, maar ook in opdracht van derden. Het instituut doet onderzoek, geeft eco-cursussen en heeft eco-checklisten opgesteld voor bedrijven. Ook Kunert, Europa's grootste kousen- en pantyfabrikant (merken Kunert, Hudson, Burlington en Silkona), stelt z'n kennis ter beschikking van andere ondernemingen. Het bedrijf publiceerde in 1991 z'n eerste eco-balans, die inzicht geeft in onder meer bedrijfsrisico's en mogelijkheden voor verbetering van het milieumanagement.

Naast de grote confectiebedrijven die miljoenen marken in onderzoek stoppen, zijn in Duitsland, Zwitserland en Oostenrijk enkele tientallen kleine confectiebedrijven die milieubewust produceren. Ze maken zogenaamde natuurkleding van niet chemisch behandelde katoen, zijde, linnen of wol. Steeds vaker is dat textiel van biologische grondstoffen: katoen van Bo Weevil, wol van Demeter-schapen en linnen van biologisch geteeld vlas uit het Oostenrijkse Waldviertel. Een aantal van die confectiebedrijven, zoals Turmalin en Cotton Country, is gespecialiseerd in kleding die direct op de huid wordt gedragen en heeft veel klanten onder mensen die gevoelig zijn voor formaldehyde, een stof die wordt gebruikt om textiel kreukvrij te maken, en bepaalde kleurstoffen in kleding.

Natuurkledingfabrikanten fabriceren principieel in eigen land om arbeidsomstandigheden en lonen te kunnen controleren en transport tot een minimum te beperken. In het verleden verkochten ze alleen aan natuurkledingwinkels, maar nu het aantal "bewuste consumenten' toeneemt, presenteren ze zich ook op modebeurzen. De kleding van Raffauf uit Ruppichteroth, het eerste bedrijf dat die overstap maakte, is dit voorjaar voor het eerst in twintig Nederlandse modezaken te koop. Doordat consumenten milieuvriendelijke kleding associëren met natuurlijke materialen, raken stoffen van synthetische vezels bij een bepaalde categorie kopers in diskrediet. Een van de bezwaren tegen synthetische vezels is dat de grondstof, aardolie, niet vernieuwbaar is. Om dat probleem op te lossen werkt de textielindustrie hard aan mogelijkheden voor hergebruik, waardoor de kringloop te sluiten is. Textielfabrikant Gore in München heeft een eerste stap in die richting gezet door samen met confectiefabrikant Schöffel recyclebare jacks te ontwikkelen. De jacks zijn gemaakt van polyester waarin een Goretex-membraan zodanig is verwerkt dat de materialen met behulp van een speciale techniek ook weer van elkaar kunnen worden gescheiden. Aangezien ook de fournituren (ritsen en knopen) van polyester zijn, kan al het materiaal van de kledingstukken opnieuw worden gebruikt. In de jacks, die vanaf augustus te koop zijn (voorlopig alleen in de Duitstalige landen) zit een etiket met het verzoek om de opgedragen kleding terug te sturen naar Gore.

Dat Duitse textiel- en kledingfabrikanten zo actief zijn op milieugebied, komt mede door de strenge wetgeving en het feit dat er al verschillende milieulabels zijn. In Nederland worden nu ook de eisen aangescherpt. De textielindustrie wordt wettelijk verplicht om 90 procent van de kleurstoffen uit het afvalwater te halen. Op 1 juli moeten de textielveredelingsbedrijven de saneringsplannen bekendmaken. Ze krijgen één tot anderhalf jaar de tijd om die uit te voeren.

De branche is er niet blij mee, aldus Cees Lodiers, algemeen secretaris van de textielvereniging KRL die met 73 aangesloten bedrijven (ruim 2 miljard gulden omzet) zo'n 90 procent van de Nederlandse spinnerijen, weverijen, breierijen en veredelingsbedrijven vertegenwoordigt. Technisch is het mogelijk om het afvalwater te zuiveren, maar de kosten zijn zo hoog dat het economisch niet haalbaar is. Lodiers: “De maatregel betekent dat de kostprijs voor ververijen tot 30 procent hoger wordt en dat we niet meer kunnen concurreren met de direct omliggende landen. Als de maatregel niet in Europees verband wordt ingevoerd, komt driekwart van de 8000 arbeidsplaatsen in de Nederlandse textielindustrie in de gevarenzone.”

Begint de milieuvriendelijke produktie van textiel en kleding in Nederland nu heel voorzichtig op gang te komen, het Amerikaanse Esprit is al drie jaar bezig om de milieubelasting van z'n kledingproduktie te verminderen. Het belangrijkste resultaat daarvan is volgens Nando van Maarseveen, directeur Benelux van Esprit, dat het denken in de company veranderd is. “Over drie tot vijf jaar moet dat leiden tot een werkelijk milieuvriendelijk bedrijf en produkt”, aldus Van Maarseveen.

Mentaliteitsverandering en ontwikkeling van milieutechnologie zijn op langere termijn niet voldoende voor een duurzame samenleving, meent prof.dr.ir. Leo Jansen, hoogleraar milieutechnologie aan de faculteit werktuigbouwkunde en maritieme techniek van de TU Delft. “Textiel- en kledingindustrie moeten er de eerstkomende jaren vooral voor zorgen dat ze niet morsen”, zegt hij. “Over vijf tot tien jaar kan verbetering van de bestaande techniek tot milieuvriendelijke produktie leiden, maar over twintig jaar zal een fundamentele technische vernieuwing moeten plaatshebben om in de behoeften van toekomstige generaties te kunnen blijven voorzien.”

Jansen is directeur van het interdepartementale programma Duurzame Technologische Ontwikkeling dat onlangs is begonnen met een onderzoek dat tot radicale technologische vernieuwing moet leiden op het gebied van voeden, kleden, wonen en verplaatsen. Het unieke en uiterst ambitieuze programma waarvoor in Amerika en Japan grote belangstelling bestaat, moet volgens Jansen resulteren in een milieu-efficiency die twintig maal groter is dan met de huidige middelen kan worden bereikt. “Het kan zijn dat we ontdekken dat het belachelijk is zoals we met textiel omgaan”, zegt Jansen. “Misschien komen we erachter dat textiel op basis van biologische produkten verspilling is en dat de techniek van het weven te veel energie vergt. Misschien moeten we wel heel andere materialen en technieken voor kleding gaan gebruiken. Als dat zo is, zullen er grote economische en culturele veranderingen plaatshebben.”