Elliott Carter heeft een imposante muzikale geschiedenis; Amerika haat moderne muziek

De Amerikaanse componist Elliott Carter is deze week "Composer in Residence' in Rotterdam waar zijn werk uitvoerig zal worden belicht aan de hand van concerten, lezingen, films, en een masterclass. Elliott Carter: “Het Amerikaanse publiek haat moderne muziek”.

ROTTERDAM, 31 MAART. De vader van de Amerikaanse componist Elliott Carter wist niet dat Charles Ives, de grondlegger van de Amerikaanse serieuze muziek, in zijn vrije tijd componeerde. Hij liet dan ook onmiddellijk de levensverzekering ontbinden die hij bij de firma van Ives had afgesloten, toen hij hoorde dat Ives behalve verzekeraar ook toondichter was. Deze drastische maatregel voorkwam echter niet dat Carters zoon Elliott componist werd. En niet alleen kwam Elliott Carter in contact met Charles Ives, hij reisde ook op jonge leeftijd met zijn vader, die een rijke zakenman was, naar Europa en kocht in Wenen alle partituren van Schönberg, Webern en van andere Europese avantgardisten voor zover hij ze kon bemachtigen.

Elliott Carter, inmiddels 85 jaar oud, is deze week Composer in Residence in Rotterdam. In een project van ondermeer de Rotterdamse Kunststichting, het Rotterdams Conservatorium, Concertgebouw de Doelen en het Rotterdams Philharmonisch Orkest, zal een groot aantal composities van Carter worden uitgevoerd. In lezingen, films en een masterclass worden de achtergronden van zijn werk belicht.

Elliott Carter wordt wel gezien als de meest Europese van de grote Amerikaanse componisten. Zelf vindt hij dat onzin. Carter: “Mijn muziek komt voor uit de Amerikaanse avant-garde van de jaren twintig en dertig. Componisten als Charles Ives, Ruth Crawford en Edgar Varèse hebben mij beïnvloed. Ik heb nooit, zoals de Europeanen, in de stijl van Schönberg en zijn twaalftoonsmuziek gecomponeerd. En Strawinsky, hoeveel ik ook van zijn muziek houd, is in mijn ogen te ritualistisch, te zeer verbonden met de muziek van de Russisch-orthodoxe kerk. Mijn muziek is directer van toon.”

Zou men kunnen zeggen dat u Schönbergs expressiviteit hebt gecombineerd met Strawinsky's "rationalisme'?

“In het begin misschien wel, bij voorbeeld in mijn Cellosonate. Maar zelfs daarin zitten ook andere invloeden, zoals uit de jazz - in het samengaan van strakke en quasi-geïmproviseerde ritmes. Europese componisten hebben de neiging in afgebakende blokken te componeren, terwijl ik uitga van een gelaagde structuur, waarin veel uiteenlopende muzikale gedachten gelijktijdig voorkomen. Of ik nu luister naar Wagner of Debussy, naar Boulez of Nono, Europese muziek in de 20ste eeuw gaat steeds uit van één gedachte, die weer wordt gevolgd door een nieuwe gedachte.”

Is het moeilijker om in Amerika tot de avant-garde te behoren dan in Europa?

“Dat hangt af van het perspectief. Boulez zei, dat je wel gek moest zijn om in Amerika muziek te schrijven waar niemand om vraagt, die niet wordt gespeeld en niet geliefd is. Het Amerikaanse publiek haat moderne muziek. Wie zich echter niets aantrekt van publiek, kan in Amerika veel steun krijgen van universiteiten. Niet voor niets is de Engelsman Brian Ferneyhough naar Amerika gekomen: ze betalen hem beter dan in Freiburg, waar hij eerst werkte. Maar dat betekent dus niet dat zijn werk in de VS meer gespeeld wordt.

“Voor een enkeling is de situatie in de loop der jaren veranderd. Toen Bartók nog leefde wilde het publiek niets van zijn muziek weten. Samen met mijn vrouw heb ik vlak na zijn dood een herdenkingsconcert georganiseerd, om geld bijeen te brengen voor Bartóks weduwe. Bekende musici werkten gratis mee, maar er kwam zo weinig publiek, dat we niet eens genoeg verdienden om de zaalhuur te betalen. Een aantal jaren later, toen het Juilliard Quartet zijn strijkkwartten ging spelen, kwam daar verandering in. Hetzelfde gebeurde met Charles Ives. Tijdens zijn leven kon hij niemand vinden om zijn muziek uit te voeren. Na zijn dood werd hij ineens "ontdekt'.

“Overigens had Ives zelf eigenlijk ook een hekel aan de meeste moderne muziek, al vond hij wel dat hij die financieel moest steunen. Ik herinner me dat hij beslist niet hield van Strawinsky. In die muziek kwamen volgens hem te veel herhalingen voor. Hij zat een keer achter de piano en improviseerde. Hij speelde akkoorden die hij voortdurend herhaalde en vond dat die klonken zoals de Sacre, hij kon zich niet voorstellen dat iemand daarnaar wilde luisteren.”

Elliott Carter maakt zo'n vitale indruk, dat men zich niet meteen zijn imposante geschiedenis realiseert. Met Gershwin samen luisterde hij naar premières van muziek van Alban Berg. Hij deelde met Charles Ives diens loge bij het Boston Symphony Orchestra als Koussevitzky dirigeerde. Strawinsky speelde hem zijn muziek voor. Carter: “Soms denk ik wel eens dat ik mijn herinneringen zou moeten inspreken op een band, dan ben ik er vanaf en moeten anderen maar zien wat ze er mee doen. Maar ik heb er nog geen tijd voor, componeren is een zeer tijdrovende bezigheid.”

Carter studeerde aan de Harvard University, eerst Engelse literatuur en later compositie bij ondermeer Gustav Holst. In 1932 vervolgde hij zijn muziekstudie in Parijs bij de fameuze compositiedocente Nadia Boulanger. In het energieke Eerste strijkkwartet (1951) vond Carter zijn eigen stijl. Carter: “Dit kwartet gaat uit van een nieuwe manier van denken over ritme. Voortdurend schuift een groot aantal ritmische lagen over elkaar heen, die verbindingen aangaan. Dat principe, waarin beweging en tijdsgevoel een belangrijke rol spelen, is gevat in een melodische vorm, die in zekere zin ouderwets was en het werk een grote emotionele lading gaf. Sindsdien streef ik naar een soort muziek waarin alle elementen voortdurend in beweging zijn, ook het karakter. "Allegro' en "agitato', of "tragisch' en "vrolijk' kunnen gelijktijdig in verschillende stemmen voorkomen. Zoals Mozart en Verdi dat in hun opera's gebruikten.”

Maakt u zich zorgen over de kloof tussen hedendaagse muziek en het publiek?

“Dat is geen probleem voor componisten, maar voor uitvoerders. Als een uitvoerder met overtuiging moderne muziek speelt, wordt het publiek vanzelf overgehaald om ernaar te luisteren. Ik vind het een nogal kinderachtige gedachte om muziek te schrijven alleen voor het publiek.

Voor componeren is tegenwoordig weinig belangstelling en het wordt, in tegenstelling tot beeldende kunst, slecht betaald. Vroeger waren componisten ten minste nog vooraanstaande maatschappelijke figuren. Dat was zo bij Brahms en Wagner en zelfs nog in de tijd van Mahler. Er is nu dus weinig reden om nog te componeren, behalve als je het niet kunt laten en gelooft in datgene wat je te zeggen hebt.''

Minimal componisten schrijven muziek die wel aanslaat bij het publiek.

“Zeker, maar iedere componist die zijn muziektheorie beheerst kan bijna gedachtenloos minimale muziek schrijven. Als je er op een namiddag goed voor gaat zitten, heb je zo een uur bij elkaar. Minimal music is de spiegel van het publiek dat niet erg gevoelig is voor de betekenis van muziek. Als je gevoelig bent voor muziek verveelt dat het heel snel.”

In welke richting zal de hedendaagse muziek zich ontwikkelen?

“Dat hangt af van de richting waarin de samenleving zal gaan. Als we niet genoeg jonge mensen een goede opleiding geven, zal de "serieuze' muziek voorgoed verdwijnen. Een orkest uit Bazel maakte een half jaar geleden een rondreis door Amerika, waarbij veel muziek van mij werd gespeeld. Het enige succesvolle concert was dat is Los Alamos in New Mexico. Dat is waar ze atoombommen bouwen en daar zat de zaal vol wetenschappers. Ik zeg niet dat we meer van dat soort mensen moeten opleiden. Maar zonder goed onderwijs is de moderne muziek gedoemd te verdwijnen.”

Vanavond "Carter voor Koor' in de Eendrachtskerk (20.30u); verder diverse concerten t/m 3/4, informatie: 010-4141666.