De Responsieve School

Hoe vond u ze, de tv-beelden gisteravond? Rapport in Den Haag gepresenteerd over Het Beroep van Leraar.

Commissie onder leiding van oud-Kamerlid Andrée van Es. Shotje in de klas, onverstaanbaar gesprekje in de leraarskamer (om half vijf zitten zij er nog, zei de mevrouw van Hilversum vol ontzag), nog even de voorzitster en de vakbond.

Als het over school gaat, is iedereen weer thuis, je ruikt de lysol in het gymlokaal. Maar het praten er over, daar gaat altijd een bedwelmende werking van uit. Het blijft dé kans voor mensen met inslaapproblemen, een halfje Nova voor het naar bed gaan.

Waarom zijn discussies over onderwijs zo erg, terwijl iedereen weet dat dat goed onderwijs een kostbaar bezit van iedere natie is? Waarom zitten we hier al decennia lang te sleutelen en te knoeien aan het onderwijs, terwijl iedereen op zijn vingers kan natellen dat alle betrokkenen er gek, althans in de war van raken?

Kennelijk omdat iedere deskundige denkt het laatste woord te spreken, het rapport te publiceren dat alle verdere reorganisaties overbodig maakt. En omdat het een beroep is geworden. Niet dat van leraar, maar dat van onderwijsveranderaar. Daar is een gegarandeerde boterham in mogelijk. De eersten zijn al met de vut die niet beter weten dan dat je met scholen, leraren en kinderen, desnoods een onsje ouders, onbeperkt kan rondzeulen. Op papier, en bij vlagen ook in het echt.

Het voordeel van aangenomen plannen is dat je over de invoering en daarna de uitvoering ook weer met het hele land kan vergaderen. De "onderwijsprovincie', zoals dat in separatistisch jargon heet, is er tien jaar zoet mee als de bielzen in de zandbak andersom gelegd worden. Afhankelijk van de mode wordt er een melodietje van terugtredende of optredende overheid bij gezongen, maar het reorganiseren gaat door.

Het mooie is dat kritiek welkom is, dat houdt de kachel brandend. Zonder discussie geen vernieuwing en zonder vernieuwing geen beleid. Neem de huidige beleidslieden op onderwijs, Ritzen en Wallage, behorend tot de aardigste en intelligentste van het moment, is geen dienstreis te ver om in gesprek met het volk te gaan. Clinton heeft het niet zelf verzonnen.

Vanmiddag was er een studieconferentie van het wetenschappelijk bureau van de Partij van de Arbeid, de Wiardi Beckman-stichting, over het boek Een school om te kiezen van Hans Wansink, adjunct-hoofdredacteur van Intermediair. De minister was gevraagd daar onder meer te reageren op de stelling dat het onderwijs niet noemenswaardig heeft bijgedragen aan het verkleinen van sociale verschillen.

Hij was het niet eens met die conclusie van de auteur. Ander onderzoek en het anders lezen van ook door Wansink gebruikt materiaal suggereerde dat wel degelijk meer arbeiderskinderen naar het hoogste niveau van voortgezet onderwijs gaan dan twintig jaar geleden. Bovendien: sociaal-democraten investeren extra in de ontplooiing van minder begaafden, “zelfs als een investering in de meer-begaafden uiteindelijk meer zou opleveren.” Het gevoerde "onderwijsvoorrangsbeleid' moest in de toekomst overigens “gerichter en beter” worden.

Ritzen in zijn inleiding: “Een actuele sociaal-democratische onderwijspolitiek laat niet de norm van gelijke kansen los maar legt zich evenmin neer bij beleid dat te weinig effectief is.” De bedoelingen blijven de zelfde, jammer als de middelen niet werken. En, sprekend over de manier waarop de school idealiter geleid moet worden: “Bestuurlijke vernieuwing moet leiden tot een flexibeler en responsievere school in een activerende omgeving”.

Daar word je even inactief van. Maar achter dat soort woorden zitten allerlei langere verhalen, en achter die verhalen zitten levensechte ervaringen van echte onderwijsgevenden waar de beroepsveranderaars mee aan de slag zijn gegaan. Wat een verschijnsel dat het zo gewoon is geworden om iets zo vitaals en belangrijks als het onderwijs te behandelen als een toelaatbaar onderwerp voor experimenteren op landelijke schaal. Want dat is wat er gebeurt. Op grond van bedoelingen, opvattingen en veronderstellingen.

De Amsterdamse hoogleraar onderwijssociologie J. Dronkers bevond zich op de schaal van veranderoptimisme tussen Wansink en Ritzen in. Zijn studies hebben hem geleerd dat het effect van ouderlijk milieu op elke afzonderlijke keuze in een schoolloopbaan in Nederland inderdaad is afgenomen, terwijl de betekenis van voorafgaande onderwijsprestaties is toegenomen.

Maar hoe dat komt vond hij moeilijk te meten en te verklaren. Misschien ligt het niet eens zozeer aan het onderwijsbeleid en meer aan de hoge kwaliteit van de verzorgingsstaat. Zweden en Nederland, met zeer verschillende onderwijsstelsels hebben bij wijze van uitzondering in de Europese en Amerikaanse wereld een klimaat waarin langer onderwijs volgen mogelijk is. Dat helpt vroegtijdig afvallen voorkomen.

Dronkers wees er overigens ook op dat meer en langer op school zitten ook leidt tot een lager rendement van het onderwijs (wat niet het zelfde hoeft te zijn als een lager niveau). En dat prikkelt op zichzelf weer om nog meer onderwijs te gaan volgen om toch te kunnen concurreren op de arbeidsmarkt. Dat leidt op den duur tot “een onbestuurbaar proces dat het onderwijs op langere termijn onbetaalbaar kan maken”.

Een tweede onderbelicht nevenverschijnsel van de grotere kans zichzelf (los van wat de ouders deden) te bewijzen en de toegenomen mogelijkheden opleidingen te stapelen is volgens Dronkers dat “ongelijkheid in bereikt onderwijsniveau de moderne vorm van maatschappelijke ongelijkheid wordt”. Onderwijsresultaten in plaats van geld en goederen als status-symbolen.

Het aardige aan de permanente Nederlandse discussie over onderwijs is dat het gaat over altruïstische idealen, over uitdelen, over het bij de les halen van achterblijvers. De minder vrolijke kant van dit circus is het drammerige, het steeds willen doordrukken van mogelijke benaderingen. Vooral omdat daarbij - in aan afstotend gesloten geheimtaaltje - alles voor anderen wordt bedacht. Zelfs de inspraak.

De gevestigde veranderingspraktijk in het onderwijs neemt te weinig bescheidenheid in acht bij het in de praktijk brengen van nieuwe plannetjes. Te weinig wordt koel gekeken hoe ideeën op beperkte schaal uitpakken. Dat gaat ten koste van idealen, die waarschijnlijk een meerderheid van dit volk deelt. Wansink en de WBS hebben dat moedig aan de orde gesteld. Een nuttige actie, tot ver buiten de Partij van de Arbeid.