De mannen verkrachten, de vrouwen baren en vernietigen

Voorstelling: Verkommerde oever Medeamateriaal Landschap met argonauten van Heiner Müller door Salon Weltschmerz. Regie, vertaling en toneelbeeld: Sam Bogaerts. Dramaturgie: Stef de Paepe. Spel: Jobst Schnibbe en Kaat van Zomeren. Gezien: 30/3 De Brakke Grond, Amsterdam. T/m 3/4 aldaar.

Een lint van autowrakken, maandverbanden, condooms en conservenblikken omzoomt de oever van het meer, dat op een beverig filmpje zichtbaar is. Met dit beeld voert regisseur Sam Bogaerts ons de wereld van Heiner Müller binnen, een wereld besmeurd met bloed en sperma, als het geschonden lichaam van een vrouw. Die vrouw heet hier Medea; onder haar ogen zitten dikke zwarte korsten. Ze heeft haar hoofd in een strop gestoken, maar de stoel onder haar voeten durft ze niet weg te schoppen.

Müller modelleerde deze Medea naar zijn vrouw Inge, die in 1966 zelfmoord pleegde. Door de zorg voor man en kind was er van haar dichterschap niet veel terechtgekomen en dat had haar manisch depressief gemaakt. In Bogaerts enscenering ziet het moederschap er troosteloos uit. Een kinderwagen staat in een akelig rode nis, hartverscheurend geblèr klinkt er uit die nis en in Medea's armen liggen twee zuigflessen die de baby's symboliseren. Zij vervloekt haar kinderen: "Ah mijn kleine / Verraders (-) / Uit mijn hart snijden wil ik u / Mijn hartsvlees Mijn geheugen / Mijn schatjes / Geef me mijn bloed terug uit uw aders /In mijn lijf terug gij ingewanden." En net als Ophelia/Elektra in Hamletmachine verandert zij de melk van haar borsten in dodelijk gif.

De mannen verkrachten en moorden, de vrouwen baren en vernietigen - dat is, grof gezegd, hier Müllers geschiedbeeld. Sam Bogaerts dikt het gevoel van walging nog eens aan. Zo moet in de slotmonoloog de verteller bijna braken wanneer hij het woordje IK uitspreekt.

Jobst Schnibbe, die dikwijls van rol verwisselt zonder ooit helemaal uit zijn acteurspose te stappen, laat zich in die laatste rol van een erg kluchtige kant zien. Hij boert en braakt en hij valt ook nog eens van zijn barkruk. Zijn koddigheid past niet bij de algehele toon van het stuk, die ondanks de ruige inhoud zacht en zoekend is. Bogaerts ensceneert dit nihilistische en wanhopige stuk opmerkelijk liefdevol.