De buren

Duitsland en Nederland gaan een gemeenschappelijk legerkorps van drie divisies vormen; een bijdrage tot de veiligheid van beide landen - anders begin je er niet aan - en een voorbeeld van multinationale samenwerking binnen de NAVO.

Gehoopt wordt dat andere landen zich erdoor laten inspireren. De dag voor deze overeenkomst door de ministers Volker Rühe en Relus ter Beek werd beklonken was dankzij een onderzoek van het Instituut Clingendael aan het licht gekomen dat Nederlandse jongeren "de Duitsers' een 3,9 geven voor het gedrag dat ze aan tafel, op de weg en in het algemeen sociaal verkeer vertonen. De Nederlanders zelf brachten er het beste af. De jongeren gaven het eigen volk een 7,8 - toevallig precies twee maal zoveel. Zelden zal het Duitse vraagstuk zoals dat zich aan ons Nederlanders voordoet, zo compact zijn weergegeven.

Onze correspondent in Bonn, J.M.Bik, heeft al een paar kritische kanttekeningen bij het onderzoek van Clingendael geplaatst. Het is gehouden in een periode dat de rechtsradicale Duitse leeftijdsgenoten in Rostock en Mölln pensions van asielzoekers in brand staken en vochten met de politie die niet als één man van harte terugvocht. Misschien heeft omstreeks dezelfde tijd een Duitse topclub bij het voetballen van een Nederlandse topclub gewonnen en is deze gebeurtenis in het onderzoek verdisconteerd - ik heb het rapport nog niet kunnen bestuderen - maar hoe dat ook zij, de cijfers liggen er, en als het eenmaal zover is bekommeren iedere dag minder mensen zich om eventuele toevallige oorzaken. Duitsland krijgt van Nederland bijna een vier: dat is de absolute uitkomst.

Voor liefhebbers van dergelijke onderzoeken zal het interessant zijn, te weten of de Duitsers een hoger cijfer hadden gekregen, bijvoorbeeld kort na de val van de Muur of op de ochtend nadat het Nederlands elftal Europees kampioen was geworden. Zonder me wetenschappelijk gefundeerd inzicht te willen aanmeten waag ik het erop te beweren dat het er toen wat beter voor de buren had uitgezien; maar als ze zich daarover hadden verheugd waren ze blij geweest met een dooie mus. Er zal een zekere conjunctuur in de publieke opinie zitten, maar in Nederland wordt over "de Duitsers' negatief gedacht, anders dan over "de Fransen' en "de Belgen' die ook wel negatieve gedachten oproepen, maar van een goedmoediger soort. Het is jammer dat het Instituut Clingendael alleen de jongeren tussen de vijftien en de negentien aan de tand heeft gevoeld. Het zou interessant zijn geweest, die uitslag te vergelijken met de resultaten van hetzelfde onderzoek, gehouden onder veertig tot vijfenveertigjarigen, dat wil zeggen de groep die ruimschoots in de leeftijd des onderscheids zit en na de oorlog is geboren. Het zou me verbazen als "de Duitsers' bij deze generatie een veel hoger cijfer hadden gehaald.

De jongeren hebben hun mening niet van zichzelf. Mijn stelling is dat deze generatie een schakel is in de voortgezette continuïteit van een ongetoetst voorbeeld. Sinds de oorlog denken "de Nederlanders' - ik gebruik telkens aanhalingstekens omdat hier een collectief begrip een fictief begrip is; een ongeteld aantal heeft een heel andere mening - negatief over "de Duitsers'. In de eerste tien jaar na 1945 was dat geen wonder. Daarna, terwijl in de Bondsrepubliek de democratie werd gevestigd en steeds meer Duitsers steeds minder verantwoordelijkheid voor het nazisme droegen, is in Nederland overwegend aan het oorspronkelijke negatieve oordeel vastgehouden. In België, Frankrijk en zeker de Verenigde Staten heeft de publieke opinie veel meer gelijke tred gehouden met de veranderingen in West-Duitsland die, na de Hitlertijd, revolutionair waren. In Nederland is het negatieve denken geleidelijk verder van de werkelijkheid verwijderd geraakt, tot het de kracht van een geloofsartikel, een dogma had gekregen dat, zoals dit onder gelovigen gebruikelijk is, de kritiekloze verdediger bijval garandeerde. Als nu iets uit het onderzoek van het Instituut Clingendael blijkt is, dat de jongere generatie goed met de oudere in de pas loopt - een gedrag dat "de Duitsers' zeker nadelig zou worden aangerekend.

Op de televisie verscheen de heer K.J. Citron, de Duitse ambassadeur in Den Haag. Hij was ondiplomatiek boos en ik kon me dat goed voorstellen. Wist men in Nederland eigenlijk wel dat Duitsland zeventig procent van alle asielzoekers in Europa heeft opgenomen, vroeg hij zich af. Ik vrees dat men dit, in het land waar het debat over asielverlening tot grote bureaucratische hoogte is gestegen, niet wist, noch weet. Het is een van de talrijke dingen over de buren die ons hier onbekend blijven.

Moeten we uit een en ander afleiden dat de tijd is aangebroken om Duitsland nu als een voorbeeldig land af te schilderen? Geen land is voorbeeldig, al denken de door Clingendael ondervraagde jongeren dat er in ieder geval één land niet meer dan 2,1 punten van verwijderd is. In het geval van Duitsland gaat het erom, de kinderen wat meer kennis bij te brengen en hun te verzekeren dat ze zich vergissen als ze denken dat meer kennis gelijk staat aan bijval of bewondering. (Die verwarring van sympathie en kennis van zaken is, dunkt mij, een typisch Nederlandse vergissing).

In het geval van Duitsland is vergroting van de kennis bovendien noodzaak, zoals nu door de vorming van dit legerkorps en veel andere ontwikkelingen wordt bevestigd. “De militaire samenwerking tussen Nederland en Duitsland geldt niet alleen in vredestijd maar ook in tijden van spanning, crisis en oorlog”, lezen we in de toelichting. Dat is, hoe dan ook, een dringende reden om ons te realiseren dat we een halve eeuw verder zijn.