Bibliotheek Goethe-Institut is "cruciaal'

AMSTERDAM, 31 MAART. De voorgenomen sluiting van de bibliotheek van het Goethe-Institut in Amsterdam wekt onbegrip bij regelmatige gebruikers van de bibliotheek. Het belang van de bibliotheek is voor het Duitse culturele instituut cruciaal, stelt prof. Alexander von Bormann, hoogleraar Duitse taal en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. “De bibliotheek is het hart van het instituut, zo simpel is het”.

Gisteren werd bekend dat het Duitse culturele instituut over de hele wereld 27 bibliotheken zal sluiten. Naast een bezuiniging op personeelskosten, lijkt het betrekkelijk geringe uitleenpercentage een argument voor sluiting van de bibliotheek in Amsterdam te zijn. In alle andere Europese hoofdsteden blijven de bibliotheken bestaan. De bibliotheek van het tweede Nederlandse Goethe-instituut, dat in Rotterdam, blijft open.

Nieuwe boeken “waarover in Duitsland gepraat wordt” kan men volgens Von Bormann vaak eerder in de bibliotheek van het Amsterdamse Goethe-instituut lezen, dan in de bibliotheek van zijn eigen universiteit, die ook al onder bezuinigingen gebukt gaat. Dat geldt tevens voor de belangrijke Duitse dag- en weekbladen, theaterperiodieken en literaire tijdschriften. Videobanden met boekverfilmingen, hoorspelen, diaseries en documentatiemappen over Duitsland zijn direct opvraagbaar - een kosteloze service waarvan vooral het middelbaar onderwijs gretig gebruik maakt. Tot de gebruikers van de bibliotheek behoren vooral journalisten, studenten en docenten uit het middelbaar onderwijs.

Ook de hoofdbibliothecaris van het Duits seminarium aan de Universiteit van Amsterdam, Leo Ikelaar, is fel gekant tegen de opheffing. Hij ziet de bibliotheek van het Goethe-instituut niet als concurrent, maar als een onmisbare aanvulling boven op het universitaire boekenbezit.

Ikelaar wijst tevens op het recente onderzoek van het instituut Clingendael, naar het Duitslandbeeld onder Nederlandse jongeren. Dat bleek zeer negatief te zijn. Er blijkt veel werk te doen aan het kweken van goodwill jegens Duitsland en de Duitsers, alle reden toch voor uitbreiding van het Goethe-instituut zou je zeggen, aldus Ikelaar.

Door reorganisaties is al enkele jaren sprake van een zekere afkalving van de collectie. Zo werd in 1989, vlak voor de val van de Muur, een sanering doorgevoerd waarbij onder meer links georiënteerde literatuur het moest ontgelden. Bepaalde boeken uit de toen nog net bestaande DDR verdwenen bijvoorbeeld uit de schappen, zoals een geïllustreerde literatuurgeschiedenis (Leipzig, 1971). Deze literatuurgeschiedenis presenteerde de toenmalige Bondsrepubliek als een voortzetting van nazi-Duitsland, en de DDR als rechtmatige beheerder van het erfgoed van Goethe en Schiller. Tegenwoordig bevindt dit documentatiemateriaal zich in het bezit van de Universiteitsbibliotheek, die zijn toch al imposante DDR-collectie door de sanering van het Goethe-instituut verder kon uitbreiden.

Het Goethe-instituut draagt niet een door de overheid goedgekeurd beeld van Duitsland uit. In Duitsland wordt nog al eens verontwaardigd gereageerd als bijvoorbeeld de schrijver Günter Grass kritische uitspraken over Duitsland doet in lezingen die hij in buitenlandse Goethe-instituten houdt.

Een regelmatige gebruiker van de bibliotheek zegt: “Is het rendement niet groter bij sluiting van één geheel instituut in een land als Frankrijk, waar zeven Goethe-instituten gevestigd zijn, compleet met bibliotheken? Nu lijkt het er op dat men in München de bibliotheek van Marseille belangrijker vindt dan die van Amsterdam.”