Ziek

Omdat mijn zoons weigerden gezellig met mij naar de voetbalwedstrijd Ajax-Auxerre te kijken (ik schijn ernstig te storen met mijn a-technische opmerkingen) zochten ze hun heil bij een vriendje en moest ik, zoals in sommige oude verhalen in het Nieuwe Testament verteld wordt, iemand van de straat halen om het lekkers te delen dat ik als feestmenu in huis had gehaald.

Cola, moorkoppen en jenever. Ik ben een tikje nachtblind, onderscheidde zodoende niet duidelijk de persoon die zich voor de televisie zette en meteen maar een gebakje opat.

“Bent u meneer Jan Rap?” vroeg ik. “Nee”, antwoordde hij, “ik ben zijn maat.” Ah, er ging me een licht op. Zei mijn moeder niet altijd: “Wat er 's avonds niet allemaal langs de straat schuimt, Jan Rap en zijn maat.” “Mijn naam is Ziek”, zei de man smakkend. “Mijn achternaam is Griep, Ziek Griep. Maar nu stil, want de wedstrijd begint.” Wij zaten zo een poosje naar de match te kijken toen ik me langzaamaan onwel voelde worden, en me ook voelde verstijven. Ik kon nog wel schreeuwen - roerloos in mijn stoel gezeten riep ik aanmoedigende kreten. Maar een halfuur na het eindsignaal van de scheidsrechter was ik mijn stem kwijt, joegen koortsvlagen door mijn lijf en dacht ik dat ik reuma had.

“Ha Griep”, zeiden mijn zoons toen ze thuiskwamen. Ik strompelde de trap op naar mijn slaapkamer. Griep ging meteen naast me liggen. “Lekker kroelen”, zei hij snuivend. “Zo jongens, rustig hè, als ze niks meer kan zeggen”, hoorde ik de dokter zijn opmerking bij zijn eerste visite. “Ha ha ha”, giechelden de kinderen ten antwoord. Urenlang bracht ik een klein kermen voort vanaf het ziekbed, maar ja, dat hoorde niemand. Dus sleepte ik mijn gammele lichaam naar de trap en hijgde zielig naar beneden: “Koppie thee?” Na een lange pauze werd er vanuit de huiskamer gejoeld: “Ach had dan geroepen, nou, straks hoor, we zitten net even de krant te lezen.” Ziekenbezoek wierp zich op mijn bed, half over mijn zieke benen heen, soms met drie personen tegelijk.

“Ha Griep”, riepen ze lachend. Ze paften sigaartjes en sigaretten en bliezen vrolijk de rook in de rondte, ze tipten de as overal om zich heen. “O, was dat de asbak niet?” Ze aten mijn fruit op, vergrepen zich aan mijn hoestbonbons, en beweerden bij het afscheid dat het best meeviel. Wat ik te vertellen had, kon ze niets schelen. “Mooie zwoele stem”, zeiden ze na omstandig hees gefluister mijnerzijds.

Ze kwamen met fruitmanden, met van die blikjes frambozen op sap, die na opening zo oud bleken te zijn dat de pureeachtige substantie, grijzig van kleur, eerder doet kokhalzen dan vrolijk uitroepen: “Fijn frambozen!” En dan zo'n peer erbij, van minstens een half pond die geen enkele zieke ooit kan opeten. Ja, verdeeld in parten, maar die verrotten. En noten die niemand voor me wilde kraken, en appels die wel glommen maar beestachtig voos waren en mijn keel was al zo droog. Ik kreeg ook allemaal uitnodigingen voor feesten en leuke bijeenkomsten, juist toen. “Ach, jammer nou”, zeiden mijn vrienden met van die schijnheilige stemmen. En iedereen vertelde over slemppartijen en dinertjes en hoe lollig het was in de stad, terwijl ik aspirines, zuigtabletten, supervitamines en vicksinhaler nuttigde tot ik er scheel van zag.

Ik heb nu ook iets met de oogarts.