"Woede boeren over akkoord met VS misplaatst'

DEN HAAG, 30 MAART. Tonnen aardappelen in de straten, acties tegen McDonald's-restaurants en brandende strobalen bij het parlementsgebouw in Parijs: de Franse boeren hebben de afgelopen maanden weinig middelen geschuwd om uiting te geven aan hun woede over het landbouwakkoord dat de Europese Gemeenschap in november vorig jaar sloot met de Amerikaanse regering. Straatsburg en Brussel waren het toneel van boerendemonstraties en ook politiek Den Haag zag de tractoren langstrekken.

De acties waren niet geheel terecht, als we het Landbouw-Economisch Instituut (LEI) mogen geloven. Het landbouwakkoord met de VS is niet ingrijpender dan de landbouwhervormingen die EG-commissaris MacSharry vorig voorjaar doorvoerde, zo stelt het onlangs verschenen rapport "Gevolgen van het handelsakkoord tussen de EG en de VS voor de landbouw'. Sterker nog: in veel gevallen gaan de MacSharry-plannen, die dit jaar van kracht zullen worden, veel verder dan het gewraakte landbouwakkoord.

Het landbouwakkoord met de VS, dat onderdeel uitmaakt van de Gatt-onderhandelingen over vrijere wereldhandel en pas in werking treedt als een Gatt-akkoord is bereikt, bevat drie elementen waar met name de Franse boeren, door dik en dun gesteund door de regering in Parijs, zeer bezorgd over zijn. Ten eerste moet het volume van de gesubsidieerde export in de komende zes jaar met 21 procent omlaag. Ten tweede moet de importheffing 36 procent dalen en ten slotte zal de steun die boeren krijgen voor hun produkten gemiddeld met 20 procent dalen.

Deze drie elementen worden automatisch ondervangen door de hervormingen van MacSharry, legt S. van Berkum, auteur van het LEI-rapport uit. Kern van de EG-landbouwhervormingen is namelijk ook dat de boeren een lagere prijs ontvangen voor hun produkten. In ruil daarvoor krijgen ze een inkomenstoeslag, mits zij beloven minder te produceren door middel van braaklegging. Door die lagere prijs in de EG gaan de invoerheffingen voor produkten van buiten de EG automatisch omlaag, doordat het verschil met de wereldmarktprijs kleiner wordt.

Ook de noodzaak om de export van agrarische produkten te subsidiëren wordt kleiner, volgens Van Berkum. Door de lagere prijs die de boeren in de EG voor hun produkten krijgen (uitgesmeerd over drie jaar min 29 procent voor graan, min 5 procent voor boter, min 15 procent voor rundvlees) wordt het verschil met de prijs in niet-EG-landen kleiner en hoeft dus minder steun te worden gegeven. Bovendien gaan de boeren bij een lagere prijs minder produceren. Een ander effect van de lagere prijs is dat de consumptie stijgt. Die twee factoren - lagere produktie en hogere consumptie - maken dat er minder landbouwprodukten overblijven voor de export. En dus hoeft minder exportsubsidie te worden verstrekt.

Van Berkum illustreert zijn verhaal aan de hand van tarwe. Volgens het landbouwakkoord tussen de EG en de VS mag in 1999 nog maar 13,4 miljoen ton tarwe met subsidie worden geëxporteerd. Dat is namelijk 21 procent minder dan de gemiddelde 17 miljoen ton die in de periode tussen 1986 en 1990 door de EG-landen werd uitgevoerd. Uitkomst van de landbouwhervormingen van MacSharry is dat in 1999 nog maar 1,2 miljoen ton gesubsidieerde tarwe door de EG zal worden geëxporteerd. Het landbouwakkoord heeft wat tarwe betreft dus geen invloed op het produktie- en prijsniveau van de EG.

Voor de voedergranenbranche (veevoer) is het verschil tussen het landbouwakkoord en de EG-hervormingen zo mogelijk nog duidelijker: volgens het akkoord met de VS mag de EG in 1999 nog 9,9 miljoen ton voedergranen exporteren met subsidie, terwijl door de herziening van het beleid de EG aan het eind van dit decennium een netto-importeur (2,5 miljoen ton) is geworden van voedergranen.

Ook de kaassector moet geloven aan het landbouwakkoord. Voor deze branche lijkt de overeengekomen korting op de exportsubsidie extra pijnlijk, omdat de kaasexport de laatste jaren met behulp van subsidies stevig is uitgedijd. Lag de kaasexport in de EG in de periode tussen 1986 en 1990 op gemiddeld 386.000 ton per jaar, in 1992 was dat al 495.000 ton. Aangezien de gesubsidieerde exportdaling van 21 procent wordt berekend op basis van de periode 1986-90 moet het huidige exportniveau eerst terug naar 386.000 om er vervolgens nog eens 21 procent vanaf te kunnen halen. De kaasexporteur zou dus steen en been moeten klagen, zegt Van Berkum.

De Nederlandse situatie steekt gunstig af ten opzichte van de Europese, omdat de Nederlandse kaashandelaar vrij veel afzetmarkten heeft waar hij weinig exportsubsidie voor nodig heeft. Veel Nederlandse kaas gaat namelijk naar de VS en de zogeheten Efta-landen (Noorwegen, Zweden, Finland, IJsland, Zwitserland, Oostenrijk en Liechtenstein). Omdat de prijs van kaas daar vergelijkbaar is met die in de EG, hoeft Brussel geen "prijskloof' te dichten door middel van subsidies. Van dalende exportsubsidies hebben de meeste Nederlandse kaashandelaren dus minder last dan hun collega's in andere landen.

De Europese veeteelt krijgt het zwaar in de komende jaren, zo heeft Van Berkum berekend. Maar opnieuw is MacSharry de boosdoener en niet het landbouwakkoord. Als voorbeeld noemt Van Berkum de rundvleessector. Deze krijgt niet alleen te maken met prijsdaling en voorwaardelijke inkomenstoeslagen, maar de EG wil bovendien het opkopen van overschotten beperken. Dat leidt ertoe dat de overschotten tegen lage prijzen op de markt moeten worden gebracht. De prijsverlagingen zullen waarschijnlijk groter zijn dan de compensatie door inkomenstoeslagen. Een "voordeel' van de prijsverlagingen is dat de uitvoer nagenoeg zonder subsidie kan plaatshebben.

De vraag waarom vooral de Franse akkerbouwers van zich doen spreken, kan Van Berkum alleen verklaren door het feit dat de Fransen grote exportbelangen hebben èn dat de Fransen waarschijnlijk slecht zijn geïnformeerd over de gevolgen van de EG-landbouwhervormingen en het akkoord met de VS. “De huidige acties moeten worden gezien als een verlate aanklacht tegen MacSharry.”

Over het lot van het landbouwakkoord met de VS, dat tot stand kwam onder de Republikeinse regering, heeft Van Berkum zijn twijfels. “Op dit moment maken zowel de VS als de EG zich schuldig aan stagnatie in het Gatt-overleg. De EG omdat de Fransen zich verzetten tegen het landbouwakkoord, de VS omdat de regering-Clinton nog twijfelt of zij de verantwoordelijkheid wil nemen voor een overeenkomst die door de vorige regering is afgesloten. Die twijfel wordt gevoed door protesten van Amerikaanse boeren die vinden dat het handelsakkoord hun eigen positie te nadelig raakt en de Europeanen te weinig treft.”