Waarheid

Veel vaderlandse tennisliefhebbers zullen afgelopen dagen met geknepen billen naar het boeiende gevecht om de Davis Cup in Barcelona hebben gekeken.

Diegenen, die zo makkelijk als hun negatieve oordeel over Nederlandse prominenten plegen te roepen dat zij mentaliteit missen, zullen die kritiek voorlopig voor zich moeten houden, op straffe van zich belachelijk te maken. Zelden heb ik onze spelers dermate geconcentreerd bezig mogen zien als ditmaal in Spanje. Setpoints tegen, zelfs matchpoints tegen werden in sublieme concentratie weggewerkt en de scène waarin Mark Koevermans languit ging liggen en Stanley Franker - geen uitgesproken lichtgewicht! - over zich heen kreeg, tartte de algemene opinie dat tennissers zich niet als voetballers moeten gedragen. Het was prachtig, ook al omdat het voor ons goed afliep, want het ene dubbeltje was nog niet gevallen of het volgende lag alweer op zijn kant.

Als het over tennis gaat moet ik vaak denken aan een Wimbledon-finale tussen de Australiër John Bromwich en de Amerikaan Bob Falkenburg. Het was in de vijfde set en Bromwich stond met 5-2 voor, plus 40-15. Twee matchpoints dus en bovendien op eigen service. Het verhaal wil dat hij zich omdraaide naar een ballenjongen en zei: “Boy, give me that winning ball.” Hij moet zich heerlijk hebben gevoeld, deze bedachtzame, ijzersterke manoeuvreer-tennisser, die het Amerikaanse kanon tegenover zich dreigde te vermorzelen. Maar de "winning ball' bleek een "loosing ball' te zijn, want Bromwich's opslag werd naar een hoek gekogeld, waar het krijt van de lijn spatte. De volgende opslag, nog altijd op matchpoint, verging het idem dito. Daarop werd Bromwich onzeker, Falkenburg leefde op en ik ontsla mijzelf van de plicht u te melden wie er won, want u bent intelligent en vertrouwd met tennis.

Zie hier een sport waarin alles mogelijk is. Toen Wereldoorlog II uitbrak was de Amerikaan Donald Budge de erkend-beste speler in de wereld. In een wedstrijd voor de Davis Cup (de naam van zijn tegenstander is bij mij in rook opgegaan) stond Budge dik achter, maar toen hij neerzeeg op de stoel om even uit te blazen knikte hij zijn non-playing captain geruststellend toe en fluisterde: “Ik krijg hem wel.” Wat hij had gedaan was opzettelijk de sterkste slag van zijn tegenstander, de forehand, bestoken. Hij kreeg daardoor menige bal fluitend om de oren, maar toen hij eenmaal vat had op die slag, was de rest kinderspel. Zo liep hij eerst een berekende achterstand in de score op om geheel volgens plan later het vonnis te voltrekken. Het is geen theorie, die succes garandeert. Welke theorie trouwens wel? De kunst is niet alleen om goed te slaan, maar ook om de "big points' foutloos te doorstaan. Dat laatste is wat Haarhuis en Koevermans in Barcelona schitterend in praktijk hebben gebracht.

Een man als Big Bill Tilden (overleden in 1953, toen hij 60 jaar oud was) bracht als wapen ook zijn persoonlijkheid mee. Een man met een enorme uitstraling van kracht en overwicht. In 1921 stond hij, aldus Bep van Houdt in het lezenswaardige boek "Tennisklassiekers', in de Wimbledon-finale tegen een Zuid-Afrikaan, Brian Norton. Tilden verloor de eerste twee sets en ging toen zeer variabel spelen, want de kanonskogels hadden weinig effect tegen de ijzersterk retournerende tegenstander. Tilden probeerde het nu met lang-kort spel, inclusief dropshots. Maar het publiek verlangde naar de Tilden zoals zij hem prefereerden: de man met de grote knallen. Uiteindelijk kreeg de Amerikaan twee matchpoints tegen en bij één daarvan dacht hij dat Norton de winnende slag had geproduceerd. Hij ging op weg naar het net met de uitgestoken hand van de verliezer. Intussen zat de umpire hoofdschuddend op zijn hoge zetel. De bal van Norton was uitgegeven. Een nieuwe kans kreeg Norton nauwelijks. Tilden had zich zijn geluk gerealiseerd en toen hij op eigen opslag nogmaals een matchpoint moest toestaan werkte hij dat met een ace weg. Om vervolgens te winnen. Hij had enorm grote handen. In die partij pakte hij vijf ballen op en verborg er vier in die geweldige knuisten. De eerste gebruikte hij om via een ace op 15-0 te komen. Via de tweede bal werd het 30-0, met de derde kwam hij op 40-0, via de vierde ace won hij de wedstrijd en met een majesteitelijk gebaar sloeg hij de vijfde bal in het publiek. Zal het verhaal niet helemaal waar zijn (vijf is wel veel voor een hand) dan is het toch een aantrekkelijke story. Wat is trouwens waarheid? “Waarheid is wat ik ervan maak”, zei Godfried Bomans. Hij en anderen.