VS stapje nader tot Irak met oog op Iran

De Amerikaanse regering - en in haar spoor de Britse - streeft niet langer officieel naar de verdwijning van de Iraakse president, Saddam Hussein. Het is een accentverschuiving die over enige tijd de weg kan effenen naar verbetering van de betrekkingen met het Irak van Saddam Hussein.

Tot dusverre was de politieke koers, die door de regering-Bush meer dan anderhalf jaar verkondigd werd, dat de VS pas vóór opheffing van de sancties van de Verenigde Naties tegen Irak zullen stemmen wanneer Saddam Hussein van het politieke toneel is verdwenen. Bush hamerde er voortdurend op dat “normalisering van de betrekkingen met Irak onmogelijk is, zolang Saddam Hussein aan de macht is”.

Een week voordat Bill Clinton als president werd beëdigd, zei hij in een vraaggesprek met The New York Times dat hij “niet geobsedeerd” was door Saddam en een normale relatie met hem niet uitgesloten achtte, op voorwaarde dat de Iraakse leider zich aan de internationale normen hield. Die mededeling was, aldus Clinton, een signaal aan Saddam: “Ik ga u beoordelen aan de hand van uw gedrag, en ik ga niet diep nadenken wat u tot uw acties beweegt”. Clinton werd toen van alle kanten zwaar aangevallen en van "politieke naïveteit' beschuldigd. Het was duidelijk dat hij het zich niet kon veroorloven om op de publieke uitnodiging van Bagdad in te gaan “een nieuwe bladzijde op te slaan” en de relaties te verbeteren.

Maar nu borduren zijn ondergeschikten - voorlopig zonder negatieve reacties - door op hetzelfde thema. Zij zeggen dat de buitenlandse betrekkingen niet aan een persoon zijn gebonden en dat het enige wat Irak moet doen om van de VN-sancties verlost te raken, is zich aan de resoluties te houden die de Veiligheidsraad van de VN het land na de Golfoorlog dwingend heeft opgelegd. De regering - zo vertelde minister van buitenlandse zaken Warren Christopher een paar dagen geleden voor de televisie - gaat ervan uit dat Saddam automatisch ten val komt als Irak zich nauwgezet aan die resoluties houdt.

Het is echter al sinds lang twijfelachtig of de VS en hun bondgenoten inderdaad de val van Saddam nastreven. Volgens diverse analisten moest Bush dat publiekelijk verklaren, omdat hij te lang had vertrouwd op de voortreffelijke relaties die er onderhuids met Saddam bestonden voordat deze tot zijn inval in Koeweit besloot. Het "Irakgate-schandaal' - waarbij miljarden aan Amerikaanse overheidskredieten naar Bagdad werden gesluisd en daar voor de aanschaf en fabricage van massa-vernietigingswapens werden gebruikt - noodzaakte Bush om zich vervolgens keihard op te stellen. Dat was de enige manier om zich van "de smet van Bagdad' te bevrijden. Clinton begint daarentegen met een schone lei; hij heeft ten aanzien van Saddam dus een iets vrijere hand.

Maar ook zijn manoeuvreerruimte is beperkt; hij kan tegenover zijn binnenlandse publieke opinie het roer nog niet definitief omgooien. En aangezien Irak nog steeds de VN-resoluties niet zorgvuldig naleeft, stemde de Veiligheidsraad gisteren opnieuw voor de continuering van zijn sancties. Volgens de Raad schendt Irak de resoluties op een groot aantal punten door: regelmatig de werkzaamheden te saboteren van de speciale commissie van de VN die voorgoed een eind moet maken aan Iraks mogelijkheid massa-vernietigingswapens te produceren; onvoldoende inlichtingen aan de VN te geven over de landen en bedrijven die Irak in het verleden hielpen bij de aanschaf en fabricage van nucleaire, chemische, biologische en ballistische wapens of materialen; geen medewerking te verlenen aan de VN-commissie die het grensverloop tussen Irak en Koeweit moet vastleggen; geen inlichtingen te geven over Koeweitse en andere gevangenen die sinds de bezetting van Koeweit als vermist werden opgegeven; bepaalde uit Koeweit meegenomen wapens, zoals Hawk-raketten en tanks, niet terug te geven, terwijl andere wapens uitsluitend zwaar beschadigd en in onbruikbare staat geretourneerd werden; geen gebruik te maken van de vergunning van de VN om op beperkte schaal olie op de internationale markt te verkopen, teneinde met de opbrengst allerlei zaken af te betalen: de militaire VN-inspecties in Irak, de aanschaf van goederen voor humanitaire doeleinden ten behoeve van de Iraakse bevolking, en schadevergoeding voor de slachtoffers van de Koeweitse bezetting; geen mededelingen te doen aan de VN of aan het Internationale Monetaire Fonds over zijn deviezen- en goudreserves; de onderdrukking van bepaalde bevolkingsgroepen, met name de shi'ieten in het zuiden, voort te zetten.

Ondanks het voortduren van de sancties zijn er echter steeds meer aanwijzingen dat zowel de Westerse mogendheden als hun belangrijkste bondgenoten in het Midden-Oosten naar een andere politiek uitzien. Volgens veler inschatting vormt Irak op korte, en zelfs op middellange termijn geen militaire bedreiging meer - zeker niet, als het met behulp van een deel van de VN-sancties onder controle wordt gehouden. Daarentegen wordt Iran steeds meer als een bedreiging ervaren voor de stabiliteit van veel regimes in de islamitische wereld die met het Westen verbonden zijn.

Het was dan ook geen toeval dat begin deze maand Turkije zijn ambassade in Bagdad heropende en Egypte een hoge diplomaat naar de Iraakse hoofdstad stuurde “om te waken over de belangen van de Egyptische staatsburgers” in Irak. Amerikaanse diplomaten noemden die politieke stappen “het sturen van de verkeerde signalen”. Maar er kwamen opmerkelijk weinig protesten uit Washington.

Even opmerkelijk is de verschuiving de afgelopen paar maanden van het Amerikaanse vijandbeeld. Vergeten zijn de mooie dagen tijdens en na de oorlog om Koeweit, toen men de Islamitische Republiek Iran "bekeerd' achtte van haar zendingsdrang om de Islamitische Revolutie uit te dragen. Washington laat zich steeds bozer en scherper uit over Iran. De laatste beschuldiging is dat Iran het door de VN aan Irak opgelegde embargo heeft geschonden door olie uit dat land te importeren. Over bondgenoot Turkije, die allang hetzelfde doet, wordt discreet gezwegen.

De snel groeiende Amerikaanse verontwaardiging over Iran wordt niet alleen veroorzaakt door oude frustraties bij de naaste medewerkers van Clinton die in 1979/'81 direct betrokken waren bij de gijzeling van het Amerikaanse ambassade-personeel in Teheran en daaraan bepaald geen goede herinneringen hebben overgehouden. Belangrijker invloed op het beleid heeft de toenemende vrees dat Iran in snel tempo aan de fabricage van atoomwapens werkt en opnieuw tot over de oren betrokken raakt bij allerlei terroristische acties in en buiten het Midden-Oosten, ja zelfs indirect bij de recente bomaanslag op het World Trade Center in New York. Ook de zeer zichtbare steun van Iran aan de tegenstanders van het Israelisch-Arabische vredesproces wordt in Washington niet licht opgenomen.

Volgens politieke waarnemers wordt de accentverschuiving ten aanzien van de persoon Saddam dan ook vooral veroorzaakt door vijandige gevoelens jegens Iran. Saddams naaste medewerkers hebben twee maanden geleden uiterst verleidelijke voorstellen gedaan aan Amerikaanse ondernemingen om in de Iraakse olie-industrie te investeren en te participeren. Daarop wilden de Amerikaanse politici tot dusverre nog niet ingaan. Maar niemand sluit meer helemaal de mogelijkheid uit dat Washington in de toekomst een getemde Saddam weer zal accepteren.

Of Saddam zich werkelijk laat temmen is een heel andere vraag. Maar omdat het Westen allang in de zo gevoelige regio van de Golf zijn permanente belangen (een onafgebroken oliestroom tegen een redelijke prijs) met tijdelijke oplossingen pleegt te beschermen en daarbij nu eens Iran tegen Irak uitspeelt, dan weer Irak tegen Iran, is de beantwoording van die vraag een zorg voor later.