Verbaal vandalisme in Arnhem

Op de bovengang van het Arnhemse gerechtsgebouw zit Wim Andel al een poosje in zijn eentje te wachten, als de tweede verdachte, Sjoerd Westra, zich bij hem voegt. In het kielzog van Westra beweegt zich een plukje rumoerige jonge mannen, die grappend en grollend op Andel beginnen in te praten. Aan de overzijde van de gang is Karel Verheuf, de derde verdachte, in druk gesprek gewikkeld met zijn advocate.

Andel (22) en Westra (24) worden beschuldigd van discriminerende uitlatingen tijdens de voetbalwedstrijd Vitesse - RKC op 28 februari. Verheuf (27) zou de politiemensen hebben gehinderd toen zij Andel en Westra nog tijdens de wedstrijd opbrachten naar het bureau.

Andel en Westra zouden op de tribune van het Vitesse-stadion hebben geroepen of gezongen: “Dat is zeker Polak uit Amsterdam, die tapijten verkoopt, krijg de longkanker.” En: “Amsterdam zit vol met joden en Ed van Thijn is een kankerjodenzwijn.” En: “Waar ter wereld ik ook kwam, nergens trof ik zoveel joden als in het kanker Amsterdam.”

De zitting van de politierechter vindt plaats op vrijdag 26 maart, twee dagen voordat Vitesse op eigen terrein tegen Ajax speelt. De officier van justitie, mr. N. Leeman, ontkent een oorzakelijk verband tussen de snelle behandeling van deze zaak en de wedstrijd van twee dagen later. Maar de drie advocaten geloven hem niet. Zij beweren dat de zaak zo snel op de rol is gezet om verbale vandalen af te schrikken. Zij vragen aanhouding van de zaak, omdat zij onvoldoende tijd hebben gehad om zich voor te bereiden en getuigen te horen.

De politierechter, mr. P. Mevis, wijst hun verzoek af. “Het lijkt mij niet aannemelijk dat u zich onvoldoende heeft kunnen voorbereiden”, zegt hij. “Dit is geen ingewikkeld dossier.” Dan wendt hij zich tot Andel en citeert de gewraakte teksten. “Heeft u dit met Westra gezongen?”

“Ik heb niet gezongen”, zegt Andel. “We hebben erover gepraat. We waren een paar weken eerder bij Ajax geweest. Toen hadden we die teksten gehoord op muziek van Tol Hansse. We vroegen ons nu af wat er toen in Amsterdam ook weer gezongen werd.”

“U heeft tegen de politie verklaard dat u gezongen heeft.”

“Dat is mij in de mond gelegd. Ik wilde weg, want mijn vader stond bij de balie te huilen.”

“Wat heeft u nu precies gedaan?”

“Ik besprak met Westra hoe dat liedje van Hansse precies klonk. Dat kan niemand gekwetst hebben.”

Het verschil tussen roepen/zingen en praten is in dit geval essentieel, omdat volgens artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht de belediging in het openbaar moet hebben plaatsgevonden. Andel en Westra beweren dat zij op de tribune in een privé-conversatie waren verwikkeld, die verder niemand wat aanging. Ook de twee politiemensen niet, leden van de groep "Bijzondere Opdrachten' die de Vitesse-supporters in vak DD al enige tijd in de gaten hielden. In het bewuste vak is verbaal wangedrag aan de orde van de zondag.

Andel zegt giftig: “De verbalisanten stonden achter me, ze konden niet zien of ik zong. Het zijn luistervinken, ze staan al wekenlang te hijgen in onze nek. Ik ontken niet dat woorden van deze strekking zijn gevallen, maar de manier waarop ontken ik wèl.”

Het is geen domme jongen, deze Andel. Een HEAO-scholier die niet terugdeinst voor moeilijke woorden als "civielrechtelijk'. Dat is misschien nog wel het opmerkelijkste: dat ook jongens als hij zulke taal - al of niet in privé-conversaties - uitslaan. Van zijn kompaan Sjoerd Westra zou je het eerder verwachten. Hij is het type van de getatoeëerde Neanderthaler die je op voetbaldagen boerend en brallend uit treinraampjes ziet hangen.

“U zou ook nog hebben gezegd”, zegt de rechter tegen Westra, “dat de scheidsrechter maar in een rolstoel moest "net als die kankerhomo van Van Swieten'.”

“Heb ik niet gezegd.”

“En die zin over Polak?”

“Misschien wel gezegd, maar niet geroepen.”

“Krijg de longkanker?”

“Kan zijn, maar ik weet het niet meer. Ik heb vrij veel geroepen. Ik sta voor mijn club.”

Vitesse heeft inmiddels Andel en Westra tot aan het einde van volgend seizoen een stadionverbod opgelegd.

Ook het geduld van de Arnhemse officier van justitie is uitgeput. “Het waren niet alleen deze heren”, zegt hij, “maar de verbalisanten stonden nu eenmaal het dichtst bij hen. Anders hadden ze wel tachtig man kunnen meenemen. Deze verdachten hebben luidkeels geroepen en gezongen. Racisme en discriminatie zijn verschijnselen die de maatschappij bedreigen. Deze mensen horen daarom in de gevangenis. Ik eis vier weken waarvan twee weken voorwaardelijk. Plus twee bijzondere voorwaarden: de eerste 18 maanden moeten zij zich in de rust van wedstrijden van Vitesse op het politiebureau melden; voor dezelfde periode een stadionverbod voor alle stadions waarin Vitesse speelt.”

“Ik schrik van de eis”, reageert Andel. “Ik voel me behandeld als een zware crimineel. Ik wist niet dat je in Nederland gestraft kunt worden voor het voeren van een gesprek.”

Zijn advocaat, mr. B. Schadd, gaat nog een stap verder. Hij beklaagt zich opnieuw over het feit dat er geen tijd was om getuigen op te roepen. “In een behoorlijk strafproces zou moeten worden nagegaan: heeft mijn cliënt luidkeels geroepen of was hier sprake van veredeld afluisteren?” Hij vindt het optreden van de agenten typerend voor de manier waarop de politie tegenwoordig de criminaliteit bestrijdt. “We gaan richting repressieve politiestaat.”

De rechter blijft rustig onder deze zware woorden. Hij acht Andel en Westra schuldig, maar hij voegt eraan toe: “U bent geen agitator geweest, u heeft niet geprobeerd luidkeels het hele vak mee te krijgen. Ik kijk iets anders tegen de sfeer aan dan de officier. Daarom leg ik u geen gevangenisstraf op.” Hij geeft Andel een boete van 350 gulden en Westra (die hogere inkomsten heeft) een van 500 gulden. De duur van de twee bijzondere voorwaarden van de officier kort hij in tot vier maanden.

Ook de derde verdachte, Verheuf, komt er niet slecht vanaf. Twee agenten verklaarden dat hij hen gehinderd had, maar hij ontkent. De officier vraagt 400 gulden boete wegens ambtsbelemmering, maar de politierechter besluit tot vrijspraak. “De situatie was verwarrend. Het is niet duidelijk wie wat gedaan heeft. U krijgt het voordeel van de twijfel.”

Het moet een teleurstellend middagje zijn voor de officier. Of hij in hoger beroep gaat? “Daar denk ik altijd wat langer over na”, knort hij desgevraagd.

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.