Leraar moet zijn werk anders doen, zegt commissie

DEN HAAG, 30 MAART. De Nederlandse leraar moet zijn werk ingrijpend anders gaan doen. Hij moet minder uren voor de klas doorbrengen, zelf beginnende of onbevoegde collega's opleiden, en zal niet langer worden betaald op grond van een diploma en leeftijd, maar naar bekwaamheid en functie-inhoud.

Dit staat in het advies van de Commissie toekomst leraarschap onder leiding van A. van Es, dat vanmiddag aan staatssecretaris Wallage (onderwijs) is aangeboden. De commissie heeft anderhalf jaar gewerkt aan het advies, dat van centraal belang wordt geacht in de discussie over het weer aantrekkelijk maken van het leraarsberoep. Zowel de onderwijsbonden als PvdA en CDA hebben in een eerste reactie positief gereageerd op de plannen om de arbeidsstructuur in het onderwijs open te breken. Ze zijn echter tegen het advies van de commissie om het huidige systeem van de lesbevoegdheden los te laten.

De kosten van de benodigde vernieuwingen om het vak van leraar in basis- en voortgezet onderwijs aantrekkelijker te maken, lopen geleidelijk op tot ongeveer een miljard gulden per jaar. Een deel daarvan kan volgens de commissie worden "terugverdiend' omdat scholen efficiënter gaan werken.

Het geld moet allereerst via een stimuleringsregeling ten goede komen aan "initiatiefrijke scholen' die de voorgestelde vernieuwingen al invoeren. De vernieuwingen komen erop neer dat de school als "echte werkgever' en de leraar als "echte professional' gaan optreden en dat de overheid zich beperkt tot bekostiging en controle achteraf, een opvattting die nauw aansluit bij de ideeën over de "autonome school' van het ministerie van onderwijs.

Pag.2: Leraar moet minder voor de klas staan

Om leraren meer kans te geven van baan te veranderen en ook meer talent van buiten het onderwijs te trekken, moet het scholen bijvoorbeeld mogelijk worden gemaakt mensen aan te stellen zonder lesbevoegdheid, door de commissie een “schijnzekerheid” genoemd. De "onbevoegde' moet wel binnen de school didaktisch en pedagogisch worden bijgeschoold en begeleid, waarna hij of zij alsnog een soort getuigschrift krijgt.

Het huidige stelsel van eerste- en tweedegraads bevoegdheden moet volgens de commissie worden vervangen door een "landelijk raamwerk' van functie-eisen en functiewaardering dat per regio door werkgevers en werknemers nader wordt ingevuld. De huidige wijze van beloning, gebaseerd op leeftijd en schooltype, moet worden vervangen door een systeem gebaseerd op de inhoud van de functie met bijbehorende kennis en vaardigheden. Deze verandering van het salarisstelsel zal ongeveer 340 miljoen gulden per jaar kosten.

De commissie adviseert leraren meer tijd te geven voor niet-lesactiviteiten, om te beginnen een uur per week, en hen daarvoor een eigen werkkamer te geven buiten het leslokaal. Dat ene uur per week kost 200 miljoen per jaar. Er moeten op school ook meer mogelijkheden komen om fulltime andere taken te verrichten, zoals coördinator van buiten-les-activiteiten, vaksectieleider, begeleider van beginnende leraren en "schoolwerkplan-ontwikkelaar'.

De afvloeiingslijsten op basis van het "first in first out'-principe moeten worden vervangen door ontslag op basis van samenstelling van en de behoefte en overschot in de schoolorganisatie.

Verder moeten de huidige lerarenopleidingen, verdeeld over universiteiten en HBO-opleidingen, worden samengevoegd tot zogenoemde "educatieve faculteiten' en worden aangepast aan het bredere beroep dat het leraarschap in de toekomst zal worden. Het laatste jaar van de lerarenopleiding moet worden vervangen door een soort "aspirant-leraarschap' van twee jaar. In die periode moet de leraar intensief worden begeleid door meer ervaren collega's. Kosten van deze begeleiding: ongeveer 230 miljoen gulden per jaar.

De commissie adviseert de regering en het parlement, ondanks de hoge kosten, de vernieuwingen door te voeren “omdat als er niets gebeurt de kosten op den duur gigantisch zullen blijken”. Bij ongewijzigd beleid zullen de kosten wegens vergrijzing en arbeidsongeschiktheid in de komende vijf tot tien jaar waarschijnlijk hoger zijn dan de investering nu, aldus de commissie.