Kabinet wil regeling van status homoparen

DEN HAAG, 30 MAART. De relatie van samenwonende homoseksuelen moet worden gelijkgesteld aan het huwelijk. Het kabinet bereidt een wettelijke regeling voor die het mogelijk maakt niet-huwelijkse samenlevingsvormen officieel te laten registreren bij de burgerlijke stand.

Behalve om homoseksuelen gaat het ook om personen die niet kunnen trouwen voor de wet omdat er bloedverwantschap bestaat.

Dit blijkt uit een kabinetsstandpunt dat vanochtend aan de Tweede Kamer is toegezonden. Het kabinet wijst gelijkstelling van samenwoningsrelaties met personen waarvoor geen huwelijksbelemmeringen bestaan af. “Immers niet valt in te zien waarom voor personen die met elkaar kunnen huwen naast het huwelijk nog een registratievorm zou moeten worden geboden met grotendeels dezelfde rechten als het huwelijk”, aldus het kabinet.

Het gelijkstellen van niet-huwelijkse samenlevingsvormen aan het huwelijk heeft onder meer gevolgen op het terrein van erfrecht en pensioenen. Zo heeft de echtgenoot van een pensioengerechtigde bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) bij diens overlijden recht op een ABP-pensioen. Het kabinet is van mening dat zo'n pensioen ook moet gaan gelden voor mensen die hun relatie laten registreren.

Een woordvoerster van het ministerie onderstreept dat het kabinetsstandpunt niet slechts betrekking heeft op het zogeheten “homo-huwelijk”. Ook broers, zusters, ouders, kinderen en grootouders en kleinkinderen kunnen dit laten registreren wanneer er een duurzaam samenlevingsverband bestaat. In Europa kent volgens Justitie alleen Denemarken het “homohuwelijk”. “Maar de Nederlandse regeling is dus veel ruimer”, aldus de woordvoerster. Het kabinet verwacht dat vrijwel uitsluitend personen van de registratie gebruik zullen maken die nu al op grond van het voeren van een duurzame gezamenlijke huishouding met gehuwden worden gelijkgesteld. Naar schatting zou het hierbij gaan om dertigduizend huishoudens.

De registratie zoals het kabinet voor ogen staat komt tot stand doordat de beide partners een gemeenschappelijke verklaring afleggen ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand. De registratie wordt ingeschreven bij de burgerlijke stand. De mondelinge verklaring wordt noodzakelijke gevonden om mogelijke fraude met schriftelijke verklaringen tegen te gaan. Met het standpunt reageert het kabinet, op voorstel van minister Hirsch Ballin (justitie), op een advies van de commissie-Kortmann, voor de toetsing van wetgevingsprojecten. Deze commissie constateerde dat er op het terrein van niet-huwelijkse samenlevingsvormen een “verbrokkelde, gecompliceerde en ondoorzichtige regelgeving bestaat die bovendien moeilijk uitvoerbaar, slecht controleerbaar en soms fraudegevoelig is”.