Het hachelijke bestaan van de akkerbouwer

Honderden boeren besluiten jaarlijks hun bedrijf te beëindigen. Noodgedwongen meestal, en met pijn in het hart. Maar hun inkomen is te laag om van te leven. De WRR ziet tot het jaar 2015 nog zeker 200.000 mensen hun baan in de landbouw verliezen.

Herman Vermeer bestiert met broer Jaap en een medewerker een 98 hectare groot landbouwbedrijf in Swifterbant. “Een agrariër kan zich geen betere plaats van vestiging wensen”, vindt hij. “De Flevopolder is ooit aangelegd voor voedselproduktie. De grond is vruchtbaar, het areaal per bedrijf groot en de infrastructuur doelmatig. Als landbouwbedrijven hier niet gezond zijn, dan zijn ze dat nergens.”

Toch heeft Vermeer onlangs de eerste collega's uit de Flevopolder zien emigreren, naar landen als Spanje en Portugal, waar de grond goedkoper is. Ze konden het financieel niet meer bolwerken. In regio's met een minder moderne agrarisch infrastructuur, zoals Groningen, is de uittocht uit de landbouw veel duidelijker zichtbaar. Het inwonertal van sommige gemeenten daalt er zelfs door. In navolging van de boeren verdwijnen ook plaatselijke "basisvoorzieningen' zoals slager en bakker.

De inkomsten van boer en tuinder staan onder druk. Met uitzondering van de bloembollenteelt daalden vorig jaar in alle landbouwsectoren de verdiensten. Tuinders met een groentenkas spanden de kroon: hun inkomen daalde ten opzichte van 1991 met ruim een ton.

Ondernemen in de agrarische sector is een hachelijke zaak geworden. Honderden boeren beëindigen jaarlijks hun bedrijf omdat de marges tussen de opbrengst van hun gewassen en de gemaakte kosten zo laag zijn dat het boerengezin vaak moet rondkomen van een inkomen op of onder het bijstandsniveau.

Opmerkelijk is dat de Europese landbouw- en zuivelsector volgens het Landbouw-Economisch Instituut (LEI) per saldo geen nadelige gevolgen zal ondervinden van het handelsakkoord dat EG en Verenigde Staten vorig jaar sloten als onderdeel van een beoogde nieuwe GATT-overeenkomst. Dat akkoord behelst onder meer verlaging van de Europese steun aan de landbouwproduktie met 20 procent, verlaging van door de EG gesubsidieerde export met 21 procent en verlaging van de importtarieven met 36 procent in zes jaar. Om de negatieve effecten hiervan voor de boeren te compenseren, krijgen ze inkomenssteun.

Nederlandse boeren kunnen zich niet bepaald in de conclusies van het LEI vinden. De afname van produktie- en exportsteun ten gunste van inkomenssteun benadeelt immers boeren die produceren voor exportmarkten, en dat zijn er in Nederland veel.

Ook Vermeer is voor een deel afhankelijk van de export, met name die van pootaardappelen. Daarnaast verbouwt hij consumptie-aardappelen, suikerbieten en wintertarwe. Een vetpot was het dit jaar niet op de Europese markt: door uitbreiding van het areaal en hogere opbrengsten per hectare steeg de aardappelproduktie er met 8 procent, wat een negatief effect op de verkoopprijzen had. Dit jaar verwacht het LEI opnieuw een daling: voor "poters' met 24 procent, voor consumptie-aardappelen met 39 procent.

Vermeer weet niet of hij de poters dit seizoen kostendekkend heeft verbouwd. “Het zal erom hangen,” zegt hij, gezeten achter de keukentafel op zijn schuur uitkijkend. “Net als in andere jaren hoop ik dat de lage aardappelprijzen conjunctureel zijn en niet structureel.”

Een extra tegenslag was vorig jaar de afkeuring van een deel van het pootgoed wegens ziektes. Zo'n domper mag incidenteel zijn, de bedrijfsvoering komt er nog verder door onder druk. “De financiële armslag om te innoveren is verdwenen” constateert Vermeer. Ik kan bij voorbeeld niet zomaar een ander aardappelras uitproberen; dat kost te veel geld. Ik denk dat ik dit jaar net niet verliesgevend werk. Maar de rek is eruit.”

Pag.16: Overproduktie en machines kosten banen

Met de meeste landbouwers ging het vorig jaar niet veel beter dan met Vermeer. Alleen bloembollentelers boekten iets betere resultaten dan vorig jaar, al is hun netto bedrijfsresultaat nog steeds negatief. Het inkomen van een fruitteler bedroeg in 1990 naar schatting van het LEI 58.600 gulden, tegen 71.100 in 1991. Groentetelers in "open grond' verdienden in 1991 nog 45.000 gulden. In 1990 was dat bijna het dubbele: 80.000 gulden. Tuinders met groentekassen genoten in 1992, aldus LEI-prognoses, een inkomen van 9.800 gulden, een enorm verschil met 1991 toen dat nog 119.000 gulden was. Inclusief kwekers van bloemen en planten verdienden glastuinders in 1992 gemiddeld 26.500 gulden, tegen 83.800 gulden in 1991.

Wil een agrariër toch een redelijk inkomen genieten, dan zal hij volgens Vermeer de hoogste kwaliteit moeten leveren. Vermeer herinnert zich gevallen van collega's die van een handelshuis voor hun aardappelen van mindere kwaliteit een rekening in plaats van een vergoeding gestuurd kregen.

“Dit jaar zie ik voor het eerst jonge collega's uit de Flevopolder stoppen met hun bedrijf of emigreren naar landen met goedkope grond”, zegt Vermeer. “Dat is pijnlijk voor hen, voor mij als collega en voor Swifterbant. Het ondermijnt het vertrouwen in de toekomst.”

Desondanks ziet Vermeer, tevens voorzitter van de festiviteitenvereniging van Swifterbant, de toekomst voor het dorp rooskleurig in. Swifterbant is centraal gelegen, groeit en mag steeds meer nieuwe bedrijven verwelkomen, zij het niet-agrarische. Vorig jaar wist de gemeente Dronten, waarvan Swifterbant deel uitmaakt, 6,5 hectare industrieterrein te vullen en groeide de werkgelegenheid met 500 banen. Floreert de economie in de Flevopolder nog heel behoorlijk, in een traditioneel agrarische regio als Groningen is ook buiten de landbouw de malaise voelbaar.

Vijfentwintig kilometer boven Groningen ligt "de aardappelstad van Noord-Nederland', Wehe-Den Hoorn. Het gehucht telt duizend zielen en twee coöperatieve handelshuizen die vooral aardappels verkopen. Ze bieden werk aan dertig mensen. In de hoofdstraat staan woonhuizen leeg. Bakker en slager zijn vertrokken. De meeste dorpelingen die "bij de boer' werkten, zijn vertrokken naar de stad. Veel boerderijen worden nu bewoond door "mensen van buiten'. De boer trekt alleen (kostbare) hulp aan van een loonbedrijf als hij echt niet anders kan.

Toen Johannes Lindenbergh eind jaren zestig het bedrijf van zijn vader wilde overnemen, ging het, net als nu, slecht met de Groningse landbouw. Omdat het voortbestaan van het bedrijf onzeker was, ging Lindenbergh naar de Landbouw Hogeschool. Het bedrijf van zijn vader overleefde toch. Niet de overstap naar een ander gewas bracht soelaas, wel het ontslag van drie van de vier knechten.

Was bezuinigen op arbeid toen nog een oplossing, Lindenbergh junior moet nu andere oplossingen bedenken om de eindjes aan elkaar te knopen. Samenwerking bij voorbeeld. Met een collega uit het dorp schaft hij machines aan en huurt hij arbeidskrachten tijdens de oogstperiode. Andere collega's zoeken een beter rendement door intensievere benutting van de grond en nemen het vergrote risico op plantenziekten op de koop toe.

Het land van Lindenbergh beslaat 125 hectare. Hij verbouwt onder meer pootaardappels en cichorei, een plant die onder meer als aromaversterker voor koffie wordt gebruikt. Lindenbergh verbouwt graan op 40 procent van zijn grond. Geen goede basis, erkent hij. Veel akkerbouwers die het om de lage opbrengst in de aardappelen niet meer zagen zitten, zijn overgestapt op graan.

Het is niet voor het eerst dat de prijzen van pootaardappels onder druk staan. In 1987 bij voorbeeld bracht honderd kilo poters slechts 32,80 gulden op (in 1983 77,50). Dit jaar verwacht het LEI een opbrengst van 37,50. Lindenbergh is daarom blij met de Stichting voor Overleg inzake Pootaardappel-aangelegenheden (Stopa). Deze stichting, een initiatief van de aardappeltelers zelf, geeft een toeslag op de prijzen voor pootaardappels als deze zo laag worden dat ze niet rendabel kunnen worden verbouwd. Dat systeem werkt redelijk. In "vette' jaren vullen de boeren de kas, om er in magere jaren uit te putten. Maar de situatie is nu zo beroerd, dat de fondsen zijn uitgeput en een aantal deelnemers - afhankelijk van het verbouwde aardappelras - zal moeten bijpassen. De prijzen zijn vooral gedrukt door tegenvallende afzet in gebieden als Oost-Europa (waar de deviezen ontbreken om de dure import te kunnen betalen) en Noord-Afrika. Niet alleen de combinatie van lage prijzen en overproduktie bedreigt de werkgelegenheid in de landbouw. De voortschrijdende techniek dringt het belang van de factor arbeid ook steeds verder terug. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) stelde in 1992 vier scenario's op voor de toekomst van de landbouw tot 2015, afhankelijk van de richting van het Europese beleid daarvoor. Geen ervan biedt landbouwers veel hoop; de werkgelegenheid daalt in elk scenario.

In het vrijhandelsscenario, dat uitgaat van volledig vrije wereldhandel, wordt landbouw gezien als een gewone - niet beschermde of gesubsidieerde - economische activiteit. Dat betekent dat zo goedkoop mogelijk dient te worden geproduceerd. In Zuid-Nederland blijft dan 18 procent behouden van de werkgelegenheid in akkerbouw en veeteelt, in het westen 26 procent en in het noorden 36 procent. Het natuurscenario, dat een strikte scheiding voorstaat van natuurgebied en cultuurgrond, voorziet eveneens in een drastische beperking van werkgelegenheid. Een "milieuscenario' - integratie van landbouwgrond en natuurgebied - heeft hetzelfde gevolg.

Nederlandse landbouwers en veehouders zijn het beste af met het WRR-scenario dat een gelijke ontwikkeling van de werkgelegenheid in de verschillende Europese regio's voorstaat. Dan blijft hier ook 29 procent van de werkgelegenheid behouden.

Nederland telde in 1991 volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek 300.000 werkenden in land- en tuinbouw. Inkrimping van dit totaal tot 29 procent zou dus 200.000 mensen hun baan kosten. Uitgaande van het huidige tempo waarin de werkgelegenheid in de landbouw afneemt - volgens het LEI 1,6 procent per jaar - zou de inkrimping 100.000 banen kosten. Als de daling volgens het WRR-scenario doorzet, is over vijftien jaar de helft van alle boerenbedrijven verdwenen. De WRR pleit, gegeven die omvang, voor een "uitstootbeleid' om werkloze boeren op te vangen. Vooralsnog ontbreekt een dergelijk beleid. Wel kennen de zuidelijke provincies de Zelforganisatie Bedrijfsbeëindigers (ZOB) in Tilburg, een particuliere organisatie voor begeleiding van voormalige agrariërs. Jaarlijks zorgt ze voor begeleiding van honderden boerengezinnen.

Coördinatrice Tonny Verrijt van de ZOB is zelf gewezen boerin. Nadat zij en haar man hun fokkerij voor slachtkuikens in Asten hadden opgegeven, zocht ze hulp. Ze ontdekte dat er geen specifieke opvang voor boeren bestond en besloot er later zelf dan maar het initiatief voor te nemen. Want een boer die noodgedwongen zijn bedrijf staakt, verdraagt geen behandeling als een gewone werkloze of een failliete ondernemer. Vaak staat zijn trots hem in de weg. Verrijt beklemtoont de verbondenheid van boeren met hun land en hoe pijnlijk het is die band te verbreken. “Mijn schoonvader heeft de grond in 1943 persoonlijk uit de Peel gewonnen. Er was geen geld meer om door te gaan; stoppen was de enige oplossing.” De gewezen boerin aarzelt niet om de tijd na de beëindiging een periode van rouwverwerking te noemen.

Agrariërs vereenzelvigen zich sterk met hun bedrijven. Als zij wegens financiële malaise hun bedrijf opdoeken, verwijten zij zichzelf vaak persoonlijk falen. In tegenstelling tot andere zelfstandigen, die zich vooral ondernemer voelen, zoeken boer en tuinder de schuld zelden in "het bedrijfsrisico' of externe omstandigheden, verklaart Verrijt.

De beslissing te stoppen in een uitzichtloze situatie, wordt de agrariër veelal bemoeilijkt door gebrek aan uitzicht op een nieuwe baan. Verrijts echtgenoot heeft geluk gehad met zijn baan als vertegenwoordiger van landbouwmachines. Anderen zijn minder fortuinlijk; in plaats van baas te zijn over honderd hectare, kunnen ze in dienst van de gemeente een plantsoentje schoffelen.

Gewezen akkerbouwers kennen tal van problemen in hun nieuwe werk- en woonomgeving. Claustrofobie omdat de boer met zijn gezin moet verhuizen naar een rijtjeshuis. Spanningen op het werk omdat de zelfstandigheid is verdwenen. Oudedagsreserves die tevergeefs zijn gebruikt om het bedrijf draaiende te houden. En vaak heeft de ex-boer nog schulden.

Veel landbouwers en veehouders worstelen op het ogenblik met de vraag of ze nog moeten "doormodderen' of dat ze beter kunnen stoppen. Velen moeten door de bank met hun neus op de economische realiteit worden gedrukt. De populariteit van de Rabobank, boerenbank bij uitstek, daalt dan ook sterk. Volgens Vermeer heeft de Rabo de hoop op een gezonde Nederlandse akkerbouw al opgegeven. Bij de presentatie van de jaarcijfers zei Rabo-topman H. Wijffels deze maand een structureel verliesgevende inkomenspositie voor akkerbouwers te voorzien, wat zal leiden tot de verdwijning van traditionele akkerbouwgebieden.

nROB VAN DEN BERG