Handjeklap met tipgevers gevaarlijk schimmenspel

Het is onbegrijpelijk dat minister Hirsch Ballin van Justitie zich in de Tweede Kamer bereid heeft verklaard de introductie van de zogeheten kroongetuige te willen onderzoeken. Er is nauwelijks een nog verwerpelijker systeem van ongelijke rechtsbedeling te bedenken. De regels van de opsporingsethiek worden regelrecht gedevalueerd tot het niveau van ordinaire straatvechterij en het idee zelf, handjeklap spelen met georganiseerde zware boeven, is al eerder onderzocht en vervolgens terecht als een nachtkaars uitgegaan.

Al in 1981 boog een werkgroep van Justitie zich over deze kwestie. Over de vraag of dealen met criminelen zou moeten worden gerekend tot het opsporingstactisch arsenaal van de overheid, bestond binnen deze werkgroep geen eenstemmigheid. Wel was men het roerend eens over de bezwaren van een dergelijk nieuw fenomeen: - Bij de behandeling van een strafzaak mogen geen andere motieven meespelen dan die welke normaliter bij een fair trial een rol spelen; - de beroepsethiek en de ambtseed van magistratuur en politie verzetten zich tegen het aangaan van deals; - deals plegen te worden verheimelijkt, althans te worden gesloten in een sfeer van geheimzinnigheid; - deals kunnen leiden tot onderlinge afhankelijkheid.

Dat de criminaliteit inmiddels aanzienlijk is verhard en een nieuwe aanpak vereist is op zichzelf juist. Maar het kan niet zo zijn dat de politie en de justitie vervolgens maar mee zouden moeten verharden (lees: afglijden) door handjeklap met zwaar crimineel tuig. Aan de (voorspelbare) bij tijd en wijle voorkomende bedrijfsongelukken met de pseudokoper en de anonieme getuige, zouden we toch op zijn minst het signaal "verloederingsgevaar' moeten overhouden.

Recherchewerk zonder informanten is nauwelijks denkbaar. De recherche werkt al sinds haar bestaan met tipgevers en daar is in beginsel ook niets op tegen. Wel vereist het omgaan met dit soort, meestal zelf tot het criminele milieu behorende figuren, een grote mate van deskundigheid en een hoge opvatting over wat ethisch wel of niet door de beugel kan. De motieven van criminele tipgevers om informatie naar de politie door te spelen is in de regel simpelweg te herleiden tot het verhaal van de dertig zilverlingen verhaal.

Daaraan ligt voor de recherche ook het "no cure no pay' beginsel voor het runnen van criminele tipgevers ten grondslag. Aan dit uitgangspunt dient altijd nog een tweede element onverbrekelijk gekoppeld te zijn. Wanneer (achteraf) blijkt dat de tipgever zelf een criminele rol in de door hem getipte affaire heeft gehad, zal deze ook zelf op de blaren moeten zitten. Er worden in dat geval geen beschermende handen van politie of justitie boven het hoofd van de tipgever gehouden.

Dat een "bona fide' informant niet met naam en toenaam en onder het etiket "getuige' een plaatsje krijgt toebedeeld in de processen verbaal acht ik even vanzelfsprekend als terecht. Zo is in de wereld van de tipgeverij nu eenmaal het spel.

Bij het systeem van "kroongetuige' nu, vrij vertaald een soort criminele super-tipgever, zijn twee haaks op de geschetste gangbare situatie staande verschillen aan de orde. De super-tipgever is zelf mede debet aan de gepleegde (zware/georganiseerde) misdaden (status), hij is daarbij op de klippen gelopen of staat op het punt dit te doen en poogt vervolgens, aangemoedigd door politie en de justitie zijn eigen huid te redden door het zo breed mogelijk verlinken van de rest van de bende (motief). De justitiële tegenprestatie bestaat uit strafvermindering, eventueel het verschaffen van een andere identiteit enzovoorts. Het ligt voor de hand dat hiermee aan de poten van de rechtersstoel wordt gezaagd.

Wanneer dit hele kroongetuigensysteem naar Brits en Amerikaans voorbeeld nu nog zo in elkaar zat, dat de super-tipgever in hoogst eigen persoon en onder eigen identiteit op de terechtzitting zou verschijnen teneinde aldaar breeduit “de waarheid en niets dan de waarheid” over zichzelf en over zijn companen te etaleren, zou ik er nog vrede mee kunnen hebben. Het laatste woord zou dan namelijk worden uitgesproken door degene bij wie die verantwoordelijkheid ook thuis hoort, namelijk de rechter.

Dit nu zal naar de Nederlandse situatie bezien om alle mogelijke redenen wel een illusie blijven. Een crimineel die met een dergelijke gang van zaken zou instemmen kan na afloop van de zitting ter griffie namelijk evengoed zijn doodvonnis betekenen.

Wat blijft er dan voor de politie en justitie nog over? In één woord gezegd: marchanderen. Dat betekent het aangaan van een uiterst dubieus schimmenspel met alle compromitterende valkuilen van dien. Ik zou de tekst van een met zo'n super-tipgever af te sluiten "convenant' wel eens willen zien.

Over de kwestie van het aanmeten van een andere identiteit wil ik niet al te veel woorden vuil maken. Het is een fabeltje te veronderstellen, dat zoiets in een klein land als Nederland zou kunnen worden gerealiseerd zonder in de kortst mogelijke keren stuk te lopen. Wij kunnen immers slechts iemand binnen een radius van pakweg 250 kilometer verkassen. Wanneer we in dit opzicht over de volle Amerikaanse landbreedte zouden kunnen beschikken, zou ons dat ergens in Siberië brengen - voor dit doel op zichzelf overigens geen onaantrekkelijke gedachte.

Politie en justitie doen er beter aan alle eendrachtige energie te steken in de (weder)opbouw van een profesioneel nationaal recherche-apparaat dat internationaal kan meetellen. Een organisatie waarbinnen het begrip specialisatie niet langer als een soort taboe geldt, dat is berekend op het met echte en onvervalste recherchemethoden bestrijden van georganiseerde/zware criminaliteit, en dat rechercheleiderschap hoog in het vaandel heeft staan.