Conclusie Rekenkamer: Tarief voor paspoort vijf keer kostprijs

DEN HAAG, 30 MAART. Het ministerie van binnenlandse zaken rekent voor het afgeven van paspoorten een tarief dat vijfmaal zo hoog is als de kostprijs. Dit is een van de conclusies van een onderzoek waarvan de resultaten vanochtend door de Algemene Rekenkamer werden bekendgemaakt.

De Rekenkamer heeft de tarieven en prijzen die het rijk in 1991 voor overheidsdiensten vroeg, onderzocht. In de meeste gevallen bleken ministeries niet te kunnen aangeven of hun tarieven kostendekkend zijn. In de andere gevallen waren ze vaak te laag of juist hoger dan de kostprijs, “soms in aanzienlijke mate”.

Bij het paspoort gaat het om de leges die het rijk aan gemeenten in rekening brengt en die zij vervolgens doorberekenen in de prijs van het paspoort voor de burger. Een paspoort kost in Nederland volgens het ministerie van binnenlandse zaken gemiddeld zo'n 80 à 85 gulden (het tarief verschilt per gemeente). De rijksleges bedraagt op dit moment 52 gulden. Het ministerie van binnenlandse zaken incasseerde in 1991 voor de paspoorten volgens de Rekenkamer ruim 75 miljoen gulden.

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het ministerie gaven vanochtend als een verklaring voor de hoogte van de rijksleges dat daarin ook de kosten worden verrekend die ambassades en consulaten maken bij hulpverlening aan Nederlanders in het buitenland. Een woordvoerster van Binnenlandse Zaken zei dat haar ministerie destijds, toen het de afgifte van de paspoorten van het departement van buitenlandse zaken overnam, dezelfde leges is gaan hanteren.

De Rekenkamer onderzocht bij de rijksoverheid 155 van de 299 activiteiten waarvoor een vergoeding geldt. Het rijk incasseert hiervoor jaarlijks zo'n 2,5 miljard gulden; de Rekenkamer heeft daarvan 1,9 miljard gulden bij het onderzoek betrokken. Bij 62 activiteiten konden ministeries niet aangeven of de tarieven kostendekkend waren; in 57 gevallen waren de kosten niet volledig doorberekend in de prijs en in 20 gevallen overtrof de prijs de kosten.

Pag.3: Keuring van vee en vlees kan privaat

De Algemene Rekenkamer geeft geen oordeel over de tarieven. Maar wel onderstreepte president H.E. Koning vanochtend dat ministeries inzicht moeten geven hoe tarieven zijn opgebouwd en waarom ze eventueel afwijken van de kostprijs. Dat laatste is in strijd met het uitgangspunt dat het kabinet eerder heeft gekozen: tarieven van het rijk moeten in principe kostendekkend zijn. Ministeries mogen daarvan afwijken, maar het ministerie van financiën heeft in reactie op het onderzoek van de Rekenkamer laten weten dat ze daarvoor wel argumenten moeten hebben. In elk geval moet er inzicht bestaan in de wijze waarop departementen hun tarieven berekenen, aldus Financiën.

Tot de activiteiten van het rijk waarvoor de tarieven hoger zijn dan de kostprijs behoren verder onder meer de afgifte van het kentekenbewijs deel III, de bekrachtiging van de statuten voor vennootschappen, de kaartverkoop bij de Topografische Dienst en de vergunningen en merktekens voor speelautomaten.

De Rekenkamer wijst erop dat een deel van de activiteiten die het rijk verricht, al dan niet tegen kostendekkende tarieven, ook zouden kunnen worden geprivatiseerd, zoals de keuring van vee en vlees, de organisatie van landbouwtentoonstellingen en de verkoop van topografische kaarten. Om te kunnen beoordelen of privatisering in zulke gevallen doelmatig en wenselijk zou zijn, moet er ten minste inzicht in de kosten van de activiteiten bestaan. “Dit inzicht blijkt onvoldoende aanwezig”, aldus de Rekenkamer.