Arts toetst zelf nut van diagnostiek

De moderne geneeskunde wordt soms afgeschilderd als een moerassig gebied, waarin een schokkend hoog percentage onnodige diagnostische onderzoeken en behandelingen wordt verricht.

Het is een fundamenteel probleem: hoe kunnen we een zorg van hoge kwaliteit garanderen? Doeltreffende en doelmatige geneeskunde vraagt een nauwkeurig omschreven doelstelling en geschikte meetinstrumenten en meetmethoden voor beoordeling van de resultaten. De doelstelling kan uit diverse invalshoeken worden geformuleerd, maar het profijt dat we voor de patiënt van de medische handeling verwachten staat voorop. Dat dit efficiënt en tegen lage kosten wordt bereikt, is belangrijk maar vormt geen doel op zichzelf. Met de omschreven doelstelling als norm kan vervolgens de dagelijkse zorg worden getoetst.

Artsen doen zelf onderzoek naar overbodig medisch handelen. Sinds de Tweede Wereldoorlog zijn wetenschappelijke kennis en technologische mogelijkheden enorm toegenomen. De geneeskunde is complex geworden en het doorgronden ervan vergt kennis en ervaring. Het proces van medisch handelen vereist even fundamenteel onderzoek als ziekteprocessen. Uit die behoefte ontstonden nieuwe vakgebieden, zoals klinische epidemiologie en medische besliskunde.

Wat betekent een uitkomst als "20-30 procent onnodige diagnostiek' (NRC Handelsblad, 24 februari)? Bij de interpretatie van die percentages zijn kanttekeningen mogelijk. Achteraf is het altijd makkelijk praten. Het zijn uitkomsten van een ingewikkeld proces en het resultaat naderhand zegt niets over de oorspronkelijke intentie. Pas als de intentie van het medisch handelen erbij wordt betrokken, is een waardeoordeel over de uitkomsten mogelijk. Ook moet worden nagegaan wat er was gebeurd als er in die situatie niet getest of niet behandeld was. Alleen vergelijkend onderzoek leidt tot verantwoorde conclusies.

Een getal van "20 procent onnodige diagnostiek' suggereert dat honderd procent bereikbaar is. Maar wat is maximaal haalbaar? Het nuttig rendement van een benzinemotor is circa dertig procent en volgens thermodynamisch onderzoek is honderd procent onhaalbaar. Voor de geneeskunde is dit nog nauwelijks onderzocht. Ook is het maar de vraag of de gretig geciteerde onderzoeken wel met de beste meetinstrumenten en -methoden zijn verricht.

Medici onderzoeken niet alleen hoe ze werken, maar verdiepen zich ook in hoe ze zouden moeten werken. Zoals gebruikelijk in de geneeskunde stelt men eerst de diagnose en daarna volgt pas de therapie. In Nederland bestuderen alle medische wetenschappelijke verenigingen de kwaliteit van hun beroepsuitoefening en verbeteren die zonodig. Dit resulteert in beroepsstandaarden en praktijkrichtlijnen.

Het verschijnsel dat artsen eenzelfde probleem verschillend kunnen benaderen is al jaren bekend. Artsen formuleren voorschriften, waarmee hun handelen toetsbaar wordt. Ondanks die praktijkrichtlijnen blijft dit fenomeen bestaan, het lukt hooguit de verschillen te verkleinen. Het variatieverschijnsel is niet simpel te verklaren, want er is een ander aspect: ook de patiënt stelt eisen. De zorg is uiteindelijk het resultaat van de dialoog tussen arts en patiënt.

Dat de geneeskunde op een aantal punten bijsturing vraagt, is zeker. Het keer op keer wijzen op onnodige ingrepen, zonder diepgaande analyse, draagt echter niet bij tot betere zorg.