Andrée van Es ziet nog enthousiasme voor het onderwijs; "Wat me meeviel op scholen, is de tóón van het klagen'

AMSTERDAM, 30 MAART. Andrée van Es, voorzitter van de commissie Toekomst Leraarschap, hoopt dat haar rapport niet “als de zoveelste circulaire op de deurmat van de scholen zal ploffen”.

Daarom brengt ze vandaag behalve een officieel advies aan staatssecretaris Wallage (onderwijs), ook een volks-editie uit, zodat de leraar zelf onmiddellijk kennis kan nemen van haar gedachten. “We hebben bewust gekozen voor verspreiding aan de basis”, zegt de oud-politica in haar werkkamer in een labyrintische torenflat in Amsterdam-Zuid. “Omdat we de pretentie hebben dat de veranderingen uit de beroepsgroep zelf moeten komen, moeten we juist dáár de informatie verspreiden en verdedigen.”

Anderhalf jaar lang hebben de elf commissieleden zich gebogen over de toekomst van de leraar. Nu buigen ze zich over de toekomst van hun rapport. Van Es, enthousiast: “We gaan tot de zomer zeer intensief de boer op. Zo proberen we mensen te motiveren voor ons rapport.”

Wat viel u het meest op, toen u scholen bezocht?

“Dat de mensen daar zo enthousiast zijn voor hun vak. Er bestaan twee karikaturen van de leraar. Het eerste is het beeld van de zeurpiet die lange vakanties heeft en ook nog een hoog salaris krijgt. Aan de andere kant is er de karikatuur van overbelaste mensen die in groten getale in de ziektewet verdwijnen. Het staat buiten kijf dat het een zwaar beroep is, maar er is ook de lol die de mensen in hun werk hebben. Het is niet zo dat het met die overbelasting wel meevalt. Wat meevalt is de toon van klagen.”

Wat maakt het beroep zo zwaar?

“De rare kloof. Dat allesopvretend vacuüm tussen de centrale regelgeving van de overheid en de solitaire professional in de klas. Hierdoor bestaat in het onderwijs geen fatsoenlijke werkgever. De school moet daarom als arbeidsorganisatie gaan fungeren. Daar moet de zorg voor leraar als werknemer liggen.”

De leraar moet het isolement van de klaslokaal verlaten en meer in een team gaan werken?

“Ja. Traditioneel is er het beeld: als je in de klas staat, ben je de baas. Maar die vrijheid is geen goede zaak, want het is een schijnvrijheid. Uiteindelijk blijkt dat je vastzit in een vast stramien: zoveel leerlingen, zoveel uren, lessentabellen en onderwijsregels. Het is bovendien ook psychisch superbelastend. Je neemt je werk mee naar huis en tegelijkertijd beschouwen mensen dat als vrijheid. Ik geloof dat het gedroomde koninkrijk van het klaslokaal leidt tot overbelasting, omdat je het uiteindelijk allemaal in je eentje moet dragen.”

Als al uw aanbevelingen worden uitgevoerd, wat verandert er dan op school?

“Er komen in de school meer keuzemogelijkheden voor de organisatie en de leraren. Je kunt bijvoorbeeld zeggen: we geven niet het hele jaar door Frans, maar een blok van een aantal weken. Leraren moeten meer meedenken, zelf medebepalen hoe ze lesgeven. Dat betekent dat ze een loopbaan op school kunnen doorlopen die veel gevarieerder is dan wat nu mogelijk is. Nu begin je als leraar, je komt van de leraaropleiding en je wordt geacht volleerd te zijn. Na een aantal jaren geef je nog altijd les en als toppunt van je mogelijkheden kun je dan een aantal uren decanaat doen of, als je geluk hebt, word je conrector of rector. Er moeten veel meer verschillende functies komen.”

Aan welke taken denkt u? Op een school moet toch vooral worden lesgegeven?

“De differentiatie is natuurlijk niet eindeloos. Een school blijft een platte organisatie, waar grotendeels moet worden lesgegeven. Maar je kunt gemakkelijk verschillende taken bedenken. Oudere leraren, bijvoorbeeld, moet je niet afschrijven als mensen die minder gaan werken. Nee, die kun je een andere functie geven, met een groter accent op het overdragen van kennis en ervaring aan jongeren. En ze kunnen gaan publiceren of meedoen aan wetenschappelijke discussies over onderwijsvernieuwing. Andere voorbeelden zijn: coördinator culturele vorming, vaksectieleider of coördinator leerlingbegeleiding. Op die manier kunnen mensen doorgroeien naar een topfunctie en niet zoals nu per definitie naar een niet-lesgevende functie als rector. Natuurlijk kan niet iedereen zo'n expert-leraar worden, maar het voordeel is dat je een perspectief biedt.”

Als Wallage maar één advies zou willen opvolgen, welk zou dat dan moeten zijn?

“Een van de belangrijkste dingen vind ik een aanpassing van het huidige bevoegdhedenstelsel. Nu is het zo dat het een toelatingsbewijs is voor het geven van onderwijs. Zonder dat er iets op volgt. Mijn kritiek is dat er geen nascholing, begeleiding of functioneringsgesprekken zijn op school. Het bevoegdhedenstelsel moet worden vervangen door functie-eisen.”

Wat wilt u bereiken met de "stimuleringsregeling' uit uw advies?

“Je moet dit rapport niet laten neerdalen als een zoveelste "moeten moeten'. Je moet wel de scholen die willen veranderen fors steunen en niet alleen met geld. Maar ook - en dat is misschien nog belangrijker - door het wegnemen van bestuurlijke belemmeringen en regelgeving die verandering in de weg staan. Zoals regels dat je iedereen zoveel uur per jaar met wiskunde moet confronteren of de regel dat wachtgelders in dienst moeten worden genomen. Dit soort dingen, als dat nou op een school die je benoemt als aanjager, leidt tot onoverkomelijke belemmeringen, dan moet je zeggen: "Okee, we nemen dat weg.' ”