"Als ik me ziek meldde, dan was ik ook altijd echt ziek'

Hoe denken leraren over hun beroep? Beginneling Peter van de Graaf wil vooral niet vastroesten. Eerste deel in een korte serie portretten.

SCHIEDAM, 30 MAART. “Je gaat met een grote zak vol idealen weg bij de opleiding. Maar ja, dan kom je op school.” Peter van de Graaf (27) weet nog hoe hij de eerste maanden als onderwijzer op een basisschool hartstochtelijk in de leraarskamer verdedigde wat hij op zijn pedagogische academie had geleerd. En hoe hij na een paar weken steevast aan zijn collega's moest toegeven dat het in theorie wel mooi en aardig leek, maar dat het in de praktijk vaak niet kan of niet werkt.

Diezelfde idealen omschrijft hij nu, drie jaar later, als "geitewollensokkenpolitiek' - en fronst zijn wenkbrauwen als iemand die heel diep in zijn geheugen moet graven om zich er nog een paar van te herinneren. “We leerden dat we kinderen altijd moesten vragen waarom ze iets deden. "Waarom kwets je me? Waarom wil je niet met me praten?' Terwijl je in de klas dan gewoon zegt: "Hou nou eens op en blijf op je plaats zitten.' Het zou natuurlijk geweldig zijn als je elke dag een kwartier met een kind kon praten over zijn functioneren, maar dan kom je verder nergens meer aan toe.”

"Peter' of "meesie', zoals zijn leerlingen hem noemen, komt uit “een traditioneel onderwijsgezin”. Zijn vader doceerde op de academie waar hij het vak heeft geleerd, zijn moeder gaf les op een dagschool voor volwassenen, zijn zuster is opgeleid om het vak "textiele werkvormen' te geven en zijn jonge broer zit nu op de academie. Toch aarzelde hij om voor de klas te gaan staan. “Ik was bang vast te roesten in het onderwijs. De school is een beperkte wereld. Stel je voor dat je dertig jaar in hetzelfde gebouw werkt, waar je dertig jaar dezelfde mensen ziet en dat je steeds tegen dezelfde straat aankijkt. Dat is toch geestdodend?”

Dus werd hij verkoper-bedrijfsleider. Maar kennelijk kriebelde het onderwijsbloed toch te zeer, nog geen jaar later solliciteerde hij in Schiedam. Nu geeft hij les aan groep drie (kinderen van zes jaar) op de Annie M.G. Schmidtschool. “Eerst hoopte ik op een bovenbouw, nu vind ik groep drie de mooiste groep. Je moet ze leren lezen, schrijven en beginnend rekenen. Dat is een grote verantwoordelijkheid.”

Als belangrijkste bron van plezier op school noemt hij het contact met jonge kinderen. En dat is juist waar de opleiding hem maar matig op had voorbereid. Je leert een rekenles geven in groep zes. Daarvoor heb je dat en dat materiaal, je kunt die aanvullende stof geven. Waar zet je iedereen neer, wat schrijf je op het bord? Wat is je beginsituatie, wat je eindsituatie? Dat wist ik allemaal. Maar ik had niet geleerd wat ik op het schoolplein moest doen. Hoeveel je kunt tolereren van kinderen?''

“De relatie tussen mij en de kinderen is tamelijk vrij. Een jongetje dat een beetje boos was, zei laatst: "Je wordt al aardig kaal', of iets dergelijks. Dan ben ik niet meteen op mijn tenen getrapt, maar besef dat hij het er waarschijnlijk gewoon heeft uitgeflapt.” Zulke kinderen houden hem jong. “Als het goed is”, voegt hij eraan toe.

Dus geen last van vastroesten? “Ik word geen vijfenzestig in het onderwijs. Het is mijn droom ooit trainee in het bedrijfsleven te worden en dan cursussen aan volwassenen te geven. Maar eerst wil hij zich binnen de Annie M.G. Schmidtschool bewijzen als goeie leerkracht. En hij heeft het voorlopig zeer naar zijn zin. “Om aan te geven hoeveel plezier ik in mijn werk heb: ik heb me nog nooit ziek gemeld omdat ik geen zin had om naar mijn werk te gaan. Als ik me ziek meldde, was ik ook altijd echt ziek.”