Yo-Yo Ma blijft ook met carte blanche de bescheidenheid zelve

Concerten: Yo-Yo Ma, cello. 26/3: met Christian Tezlaff, viool, en het Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Hans Vonk. Programma: Stephen Albert: Celloconcert; Bartók: Altvioolconcert; Brahms: Dubbelconcert.

28/3: met Friedrich Lips, baján, en Nieuw Sinfonietta Amsterdam o.l.v. Lev Markiz. Programma: delen uit werken van o.a. Tsjaikovsky, Sjostakovitsj, Haydn, Bernstein.

28/3: met André Previn, piano. Programma: Sjostakowitsj, Cellosonate op. 40; Previn: Cellosonate; Brahms: Cellosonate op. 38. Gehoord: Concertgebouw, Amsterdam. Volgende concerten: 30 en 31/3.

Voor Yo-Yo Ma is muziek maken communiceren. Hij heeft geen behoefte om te bewijzen dat hij een meester is op zijn instrument want hij leeft met zijn cello in een vreedzame symbiose. Ook schijnt hij niet gedreven te worden door een behoefte aan macht om het publiek te betoveren want hij is geen heersers-natuur. Het gaat hem erom, met anderen te delen wat hem na aan het hart ligt.

Er was dan ook een intieme sfeer in het Amsterdamse Concertgebouw tijdens de concerten in de serie Carte Blanche voor Yo-Yo Ma waarvoor hijzelf de vijf programma's samenstelde en musici uitnodigde, dit alles op initiatief van Concertgebouwdirecteur Martijn Sanders. Bij aanvang van het Jeugdconcert op zondagochtend leek Yo-Yo Ma afwezig, maar na enig zoeken bleek hij te zitten aan de achterste lessenaar van de cellogroep van Nieuw Sinfonietta Amsterdam. Dit had iets van een truc, een demonstratie van uiterste bescheidenheid. Maar zijn werkelijke bescheidenheid bleek pas toen hij pontificaal zijn plaats als solist had ingenomen. Zonder enig uiterlijk vertoon werd er muziek gemaakt, met een zo zachtaardige mededeelzaamheid dat honderden kinderen een uur lang muisstil zaten te luisteren.

Ondanks alle publiciteit rond deze serie waarin Yo-Yo Ma soms opgepompt wordt tot een mega-ster is de cellist "gewoon' een heel bijzondere muzikant die met evenveel aandacht en goede smaak een song uit Bernsteins West Side Story speelt als een Celloconcert van Haydn.

Ook tijdens de eerste avond waarop de cellist samen met het Rotterdams Philharmonisch Orkest maar liefst drie soloconcerten speelde, kreeg men geen moment het gevoel dat er een sportieve prestatie werd geleverd ter meerdere glorie van het ego. Het eerste werk, het Celloconcert van de Amerikaanse componist Stephen Albert, was een pleidooi voor het oeuvre van zijn vorig jaar overleden vriend. Dat het stuk wat langdradig uitpakte deed niets af aan het sympathieke gebaar. Voor de uitvoering van Bartóks Altvioolconcert verscheen Ma met een speciaal voor hem gebouwde altviool op een cellopunt, een uiterst inventieve oplossing voor het probleem van een cellist die als altist wil optreden. Dat het experiment op deze avond maar ten dele slaagde lag zeker niet aan de virtuoos spelende Yo-Yo Ma, maar wel aan dirigent Hans Vonk die de solist onderdompelde in zeer luide orkestklanken. Ook bij Brahms' Dubbelconcert waarin Ma samen met violist Christian Tetzlaff soleerde, werd veel moois aan diggelen geslagen door de harde hand van Vonk.

Een wonder van gelijkgezindheid was echter het recital op zondagavond: dirigent André Previn bleek aan de piano een ideale partner en er ontstond een zeldzame eenheid in geraffineerde eenvoud en intimiteit. Soms was het spel van Yo-Yo Ma wat al te intiem, met name in de ruige finale van Brahms' Eerste cellosonate. Het ontbreken van een krachtig forte was het enige gemis in het zo rijk genuanceerde spel, en in expansieve passages werd de cellist zelfs door de piano wel eens weggevaagd. Onvergetelijk mooi was echter het samenspel in de lyrische Cellosonate van Sjostakowitsj, en de, wat sfeer betreft hierop aansluitende Sonate van Previn, op deze avond voor het eerst uitgevoerd. Het leek of twee musici elkaar hun dromen vertelden. Die twee dromen vormden één verhaal waarvan het publiek deelgenoot werd gemaakt met een vanzelfsprekendheid die ver uitging boven technische beheersing en "Traumdeutung': er werd gecommuniceerd op hoog niveau.