Vertaalde dichters vormen hoogtepunt Nacht van de Poëzie

UTRECHT, 29 MAART. “Billehoning billekleur billelelie billelief billewet billelust billeblauw billebrood billen duizendvormig, multibil unibil ...” De schrijver en vertaler August Willemsen is bijzonder goed op dreef als hij tegen één uur 's nachts in het Utrechtse Vredenburg de ode op de "bunda' (billen) van de Braziliaanse dichter Carlos Drummond de Andrade voorleest.

Het gedicht komt uit het vorig jaar vertaalde De liefde, natuurlijk, de bundel erotische poëzie die de grote Braziliaan kort voor zijn dood in 1987 schreef. Met veel gekreun en liefdeskreten verwoordt Willemsen de (papieren) passie van de tachtigjarige: “Lieflijke mond, en lief, die langzaam het schuim van genot in spraakloos ritueel ontbladert, likkend, slikkend, liefdevol gesloten rond de rechte vorm als was...”.

Je hoort de laatste jaren wel eens dat de huidige Nederlandse poëzie de beste van de hele wereld is, maar na de dertiende Nacht van de Poëzie is dat toch moeilijk vol te houden. Naast vijftien Nederlandse en Vlaamse dichters, betraden dit keer ook Herman Pleij, Ernst van Altena, J. Bernlef en August Willemsen het toneel, om te laten horen hoe er in de vroege Nederlanden en in Frankrijk, Zweden en Brazilië wordt gedicht. Wat zij voorlazen behoort zonder twijfel tot het beste van de hele nacht. Herman Pleij herdacht met het prachtige "Verwijfd (getrouwd) te zijn gaat boven alle plagen' de precies vijfhonderd jaar geleden geboren Anna Bijns, Bernlef liet zijn heldere vertalingen horen van de Zweed Tomas Tranströmer, Van Altena las Franse liefdespoëzie, en dan waren er nog die erupties van Willemsen.

Nu is een dergelijke vergelijking natuurlijk niet helemaal eerlijk. De vertalers hadden een veel ruimere keus, zij mochten ook dode dichters aan het woord laten. Maar dat mochten ook de drie politici die zaterdag waren uitgenodigd. Ook zij haalden het niveau van de vertalers niet. “Leeft de poëzie onder het volk,” zo had presentator Ed Leeflang zich afgevraagd. “En zo ja, van welke gedichten houdt het volk dan het meest?”

De drie volksvertegenwoordigers die dit jaar voor het eerst aantraden leverden in ieder geval een interessant en gewaagd onderdeel. Politici hebben ambtshalve de neiging zelfvertrouwen en kracht uit te stralen en het is spannend te horen hoe zij tegenover poëzie staan, die vaak de wat minder verheven zijde van het bestaan tot uitdrukking brengt. PvdA-voorzitter Felix Rottenberg bleef nog het dichtst bij zijn politieke leest. Hij las de voor kinderen geschreven allegorie "Het konijn' van Paul van Ostaijen en het daadkrachtige "De achteraffers' van Annie M.G. Schmidt. De gedenkwaardige slotzin van dit laatste gedicht luidt: "Had men ons niet beter op kunnen hangen? Dat was achteraf nog het beste geweest'.

De Belgische oud-premier Wilfried Martens liet zich evenmin uit zijn tent lokken. Hij had werk gekozen van klassieken als Van Wilderode, Andreus, Claus, Gezelle en Mallarmé. Van de drie toonde Van Mierlo zich misschien nog de grootste twijfelaar, met gedichten van Emmens, Marsman, Nijhoff en Kaváfis: “Waarover wil je dat ik schrijf?”

De levende dichters die zaterdag aantraden, konden tegenover dit geweld van grote namen slechts hun eigen stem en lichaam in het geweer brengen. En dat deden ze dan ook. De meesten van hen waren voor het vaste publiek bekend. Jean Pierre Rawie, Miriam Van hee, Herman de Coninck en Carla Boogaards zijn in Utrecht al heel wat keren te horen geweest. Anderen hebben zich de afgelopen twaalf nachten minder vaak laten zien. Een teleursteling was wat mij betreft de vooral in christelijke kring gevierde Guillaume van der Graft. Beter beviel me de Rotterdamse politicoloog J.W. Oerlemans, die naast zijn gedegen wetenschappelijke stem ook nog een aarzelender, tederder geluid blijkt te bezitten.

De poëzie van Drummond de Andrade werd van alle Nederlanders nog het meest benaderd door Adriaan Morriën. Hij ging aan het begin van de avond in vogelvlucht door een, maar liefst, zestigjarig dichterschap. Morriën staat bekend als de dichter van de liefde, maar uit wat hij voorlas blijkt dat hij ook veel over ouderdom heeft geschreven. In 1991 "toen ik dus nog helemaal zo oud niet was' voorspelde Morriën "ik zal nooit ouder worden dan toen ik een kind was.'' Nu voelt hij als hij de hoek van de straat omslaat soms de adem van de dood. De ouderdom "voelt lang niet slecht.'