Op kousevoeten sluipt Brüggen in slaapzaal

Concert: Radio Kamerorkest o.l.v. Frans Brüggen m.m.v. Nikolai Madoyan (viool). Programma: L.v. Beethoven: Vioolconcert; F. Schubert: Negende symfonie. Gehoord: 27/3, Concertgebouw, Amsterdam (VARA-matinee). Radio uitzending: 7/5 20.02 uur.

In de uitvoeringspraktijk van muziek die rond 1800 werd geschreven, zijn de ooit zo afgetekende scheidslijnen tussen oude instrumenten en het moderne instrumentarium de laatste jaren vervaagd. Ook voor Frans Brüggen zijn barokviolen al lang niet meer een voorwaarde voor een eerlijke interpretatie. Zaterdagmiddag dirigeerde Brüggen in het Concertgebouw in Amsterdam het op eigentijdse instrumenten spelende Radio Kamerorkest. Maar wat een verfrissende wisselwerking tussen twee werelden had kunnen zijn, bleef steken in een verkrampte poging de wezenlijk andere klank van een modern orkest in de pas te brengen met authentieke speelopvattingen.

Het concert vormde in veel opzichten het tegendeel van de lenige en opwindende uitvoeringen die we kennen van Brüggens Orkest van de Achttiende Eeuw. Bij het in kleine bezettingen en afwijkende opstelling spelende Radio Kamerorkest leidden de felle, korte accenten, het nonlegato, de korte fraseringen en de uitgebeende strijkersklank ertoe dat de interpretatie van Beethovens Vioolconcert maar vooral Schuberts Negende symfonie karikaturale trekken kreeg.

In het Vioolconcert van Beethoven streefde Brüggen naar muzikale spanning door de klank klein te houden en voortdurend ingehouden te dirigeren. Dat leverde eerder een bleek, bloedeloos klankbeeld op dan het vermetele spel met timbres en ritmes dat we van hem gewend zijn. Vooral in het langzame deel klonk het orkest zo behoedzaam dat het leek het alsof de lichtgebogen Brüggen de musici op kousevoeten voorging door een slaapzaal. De ingetogen jonge violist Nikolai Madoyan sloot goed aan bij de kleinschalige opvattingen van Brüggen. Zijn toon was oprecht en zuiver, maar voor een werkelijk aansprekende visie op zijn partij liet het strenge keurslijf geen ruimte.

Ook in de Negende symfonie van Schubert werd duidelijk dat het wegsnijden van overtollige negentiende-eeuwse decibellen niet noodzakelijk tot een wendbaardere orkestklank leidt. De hoge tempi die Brüggen aanhield in de drie snelle delen hadden niet een bevrijding van de ritmische structuur tot gevolg, maar zorgden voor een uiterst jachtig samenspel. Alleen in het rustiger Andante con moto kwam het tot een fraai zangerige cadans. Dat het Radio Kamerorkest maar geen Orkest van de Achttiende Eeuw wilde worden, lag overigens niet aan het vakmanschap waarmee de orkestleden probeerden hun metamorfose te ondergaan.