"Ons verdriet is dat bisschop Bär de vlucht moest nemen'; Een bloem ligt op de lege bisschopszetel van Bär

ROTTERDAM, 29 MAART. Het moest een dienst van verdriet worden, gistermiddag in de kathedrale kerk van Rotterdam. Verdriet om het plotselinge vertrek van bisschop Bär. Maar oud-vicaris W.M.I. van den Ende verwoordt ook gevoelens van woede.

“Er is in het donker op hem geschoten. Is hij fout geweest en heeft hij verkeerd gehandeld? Ik weet het niet en ik heb geen informatie. En eigenlijk is dat iets wat ons het minst interesseert en nauwelijks aangaat. Het verschrikkelijke is niet die mogelijke fout of de schijn ervan, maar het misbruik dat anderen ervan hebben gemaakt. Ik wens en ik hoop dat die namen worden prijsgegeven aan de verachting”, aldus Van den Ende die er geen geheim van maakt gevoelens van wraak te koesteren. “Wij zijn opgevoed om netjes en keurig te zijn, maar dan blijft de woede binnen. Dat is erger dan wanneer de drift naar buiten komt.”

Ruim twaalfhonderd mensen woonden gisteren de dienst bij die was georganiseerd door een werkgroep van pastores uit het bisdom. Sommigen huilen, anderen kijken strak voor zich uit. Op de lege bisschopszetel, achterin de kerk, ligt een bloem.

Van den Ende: “Bij een lege stoel zijn wij vanmiddag, de lege stoel van een bisschop. Wij hebben tranen in onze ogen gehad, maar er zijn ook dingen die huilen. Ons verdriet is dat bisschop Bär de vlucht moest nemen. Wij delen in zijn en in elkaars verdriet. Wij delen onze gevoelens van sympathie en genegenheid. Wij zien uit naar een openlijk teken van de bisschoppenconferentie - een teken van broederlijkheid, een ereteken.”

De sympathie voor Bär is langzaam gegroeid, bij zijn benoeming tot bisschop in 1983 was er sprake van argwaan. Van den Ende maakt er geen geheim van: “Aanvankelijk dachten wij: hij is een diplomaat. Ik heb dat wantrouwen gedeeld, en dat wist hij. Zuinig gingen wij ervaren dat een diplomaat ook goed kan zijn. Hij heeft ons bisdom gebracht uit geslotenheid naar enige openheid. Na een beleid van kramp trad wat ontspanning op. Het was bevrijdend dat hij een bisschop was op een intelligente manier.” Na deze woorden klinkt spontaan applaus.

Volgens Van den Ende heeft het bisdom mede dankzij Bär in andere diocesen een goede naam gekregen. Het werd een bisdom waar geen ruimte werd gelaten voor bittere en onoverkomelijke problemen: die werden uitgepraat. Daarbij werden de smalle marges waarbinnen Bär moest opereren niet uit het oog verloren. “We werden broeders en zusters. De modaliteiten werden minder belangrijk dan onze saamhorigheid. Daarom is er ons verdriet. Wij geven om dit bisdom.”

Een bisdom in verwarring. Had hij niet moeten gaan? vraagt Van den Ende zich af. En hij las psalm 55: “Vrees en beving komen over mij, schrik overstelpt mij, zodat ik zeg: o, had ik vleugelen als een duif, ik zou wegvlieden en een woonplaats zoeken”.

Maar ondanks alle verdriet, de woede en de verwarring over het gebeurde herinnert de oud-vicaris aan de veerkracht van de kerk die telkens weer kan opkrabbelen. “Er zijn nog zuiverder woorden. Er is een evangelie over onze reis door de storm en de hoge golven, waarbij de Heer lijkt te slapen. Meester, deert het U niet dat wij vergaan? Hij zegt: "Waarom ben je zo bang?' En het werd helemaal stil”. Nadat hij deze woorden had gesproken wordt een minuut stilte in acht genomen, gevolgd door luid applaus.

De tijdelijke opvolger van Bär, J.G.M. van Zuidgeest, leest daarna een groet voor van de afgetreden bisschop. Die roept de gelovigen op bijeen te blijven “zoals wij dat samen hebben proberen te doen in de jaren dat ik bij u was. Hecht u aan Christus die niet veroordeelde maar bij zich nam iedereen die zich tot Hem wendde. Die genas en troostte telkens opnieuw”.