"Oh, dacht ik, gaat het zo in de politiek'; Vraaggesprek met RIA BECKERS

Ze is de langstzittende fractieleider aan het Binnenhof en de enige vrouwelijke. Een politica met sterke morele noties, met een ernstige gedreven heid en een afkeer van machtspolitiek. Volgende maand vertrekt ze uit de landspolitiek waar ze bijna twintig jaar vertoefde, eerst als voorzitter van de PPR, daarna als fractievoorzitter voor die partij in de Tweede Kamer en sinds 1989 als fractievoorzitter van Groen Links. Altijd in de oppositie, maar volgens haarzelf niet zonder invloed. “Ik ben niet ontevreden over een aantal dingen die bereikt zijn.” Met haar vertrek komt een einde aan een periode, maar niet aan haar idealen. “Ik houd niet op, ik ga gewoon door.”

Ze komt ze nog wel eens tegen, de strijdmakkers van het eerste uur die hebben afgehaakt. En telkens opnieuw is ze verbaasd. Vroeger was het meest radicale nog niet radicaal genoeg en nu zijn het net oude mensen. Veertigers en vijftigers bij wie het heilig vuur is gedoofd en de spiritualiteit verdwenen is. “Dan denk ik: mijn hemel, wat erg eigenlijk.”

Waarom ze zelf al die jaren is doorgegaan? Ze aarzelt. Dan zegt ze op fluistertoon: “Wat moet ik daar nu over zeggen? Dat vind ik moeilijk, dat vind ik heel moeilijk”. Opeens heel beslist: “Omdat ik werkelijk vind dat de wereld een beetje zou moeten veranderen.”

“Ik denk dat het voor een deel ook in mijn karakter zit. Ik ben iemand die op een gegeven moment dingen belangrijk vindt en ze na vijf jaar niet opgeeft. Hoe gaat dat: je krijgt steeds meer inzicht hoe processen lopen, hoe machtsverhoudingen liggen, je wordt eigenlijk steeds kwader en steeds bozer en je denkt: ja, mij krijgen ze niet weg.”

Ze was nog maar kort partijvoorzitter van de PPR, met nauwelijks enige politieke ervaring, toen het bijna mis ging met het kabinet-Den Uyl, waartoe haar partij als kleinste partner behoorde. De voorgenomen levering van reactorvaten aan Zuid-Afrika leidde tot diepe verdeeldheid binnen en tussen de partijen. Minister-president Den Uyl en PPR-fractieleider Bas de Gaay Fortman kregen voor het eerst te maken met een hardnekkige mevrouw, die een afkeer bleek te hebben van dealen en wheelen.

“Ik werd op een avond met Leo Jansen, de woordvoerder van de PPR-fractie, opgetrommeld voor een vergadering met de progressieve bewindslieden. Wij werden daar naast elkaar neergepoot en toen bleek dat Bas en Relus (het toenmalige PvdA-Kamerlid Relus ter Beek, red.) een compromis hadden gebrouwen. Het was dus de bedoeling om ons te committeren. Ik dacht maar één ding: ik dacht: dat pikt de partij niet, ik doe daar niet aan mee.”

Het was goed dat Leo en ik naast elkaar zaten. Zo nu en dan gaf ik hem onder tafel even een schop met m'n been: vooruit, Leo! En we hebben volgehouden en het is er dus niet van gekomen. Ik dacht: oh, gaat dat zo in de politiek. Ja, echt. Aan de andere kant ontdekte ik: Bas doet ook mee aan dat soort spelletjes. Zo word je volwassen in de politiek.''

Volgende maand vertrekt ze uit de landelijke politiek, waar ze bijna twintig jaar vertoefde. Een politica met sterke morele opvattingen, met een ernstige gedrevenheid en een afkeer van machtspolitiek. Een "piëtiste in de politiek' is ze wel genoemd.

Zelf herkent ze zich niet in die typeringen. “Ik vind dat politiek ook is: dingen voor elkaar krijgen en niet alleen getuigen. Ik denk dat het mogelijk is compromissen die je sluit te verdedigen, mits je duidelijk kunt maken dat het een stap in jouw richting is. Ik zie daar geen probleem. Ik vind het pas een probleem als je een zetel in het kabinet, of weet ik wat, zwaarder laat wegen dan je inhoudelijke standpunt.”

Macht zocht ze niet, maar naar invloed streefde ze wel. Getergd haalt ze uit als ze het verwijt krijgt dat Groen Links met zes zetels in de Tweede Kamer geen invloed heeft. “Wat is nou invloed? Ik vind het ontzettend betrekkelijk om invloed aan cijfers af te meten, aan het zetelaantal. Ik weet zeker dat wij in de hele discussie over het milieu en ook op het terrein van vrede en veiligheid een grote invloed hebben gehad.”

Ze werd in 1977 de eerste vrouwelijke lijsttrekker. De eerste feministische golf was al over het land gespoeld, maar zij stuitte nog op veel traditionele weerstanden: “Ik heb toen heel vaak moeten horen: "wat moet dat mens in de politiek, laat ze bij haar kinderen blijven'. Nee, niet alleen van mannen, maar ook van heel veel vrouwen.”

Ruim 15 jaar later typeert ze de politiek nog als een overwegend mannenbedrijf. De vrouwelijke lijsttrekker is geaccepteerd, vrouwelijke ministers - zo lang het er niet te veel zijn - ook. Maar een vrouw als minister-president, dat is, schat ze, voorlopig ondenkbaar.

“De politiek is nog steeds, meer dan andere sectoren in de samenleving, een wereld van mannen. Vrouwen worden er veel kritischer beoordeeld. Er bestaat ook een grote aarzeling bij mannen om op een vrouw te stemmen en bij de grote partijen zie je dat vrouwen nog altijd meer op mannen stemmen dan op vrouwen. Het is nog maar een kleine groep vrouwen die bewust op vrouwen stemt.”

Ze was van huis uit ook niet voorbestemd voor de politiek. Na een studie klassieke talen werd ze eerst docente en pas later kwam de PPR in beeld. “Mijn ouders vonden mijn politieke keuze dus niks, maar ja, dan had ik een soort Marga Klompé moeten worden en niet in de PPR moeten gaan. Mijn broer was beroepsmilitair en werd zeer gepusht thuis. Dat vonden ze prachtig.”

De Beckers-jaren aan het Binnenhof vielen voor een belangrijk deel samen met de Lubbers-jaren. Twee katholieke politici, met een boven-Moerdijkse ernst die bijna in één partij hadden gezeten. Beckers koos direct voor de PPR, Lubbers bleef na een kortstondig verblijf in de kring van christen-radicalen - het tussenstation van KVP naar PPR - in het oude nest.

Of ze zich ook had kunnen voorstellen met Lubbers in één partij? “Nee, want Lubbers is een machtspoliticus. Als ik op zo'n politieke carrière uit was geweest, was ik natuurlijk nooit in de PPR gaan zitten. Dan had ik een andere partij moeten kiezen. Net zoals Ad Melkert heeft gedaan.”

Echt contact heeft Beckers tijdens de kabinetten-Lubbers nauwelijks met Lubbers gehad. Zij zocht hem niet op en hij had haar niet nodig. Groen Links was voor de premier geen machtsfactor, Beckers voor hem daarentegen wel een morele factor. Met haar morele appels slaagde zij er met grote regelmaat in bij Lubbers een gevoelige snaar te raken.

“Ik hem een keer ontzettend kwaad heb gemaakt door bij de algemene beschouwingen een brief van een oude mevrouw voor te lezen. Hij brieste: "denk je dat ik dit soort brieven niet krijg'. Hij had zoiets van: "die mag je niet voorlezen, dat is onder de gordel'. Nou, dat is voor mij onbestaanbaar. Als je bejaardentehuizen decentraliseert en je geeft daar te weinig geld bij en provincies moeten bejaardentehuizen sluiten, dan ben je met oudere mensen bezig. Dan heb je je te bezinnen op de conequenties die dat heeft.”

Ze heeft waardering voor Lubbers, bewondert hem om zijn uithoudingsvermogen en zijn vermogen creactief te blijven, maar mist een gevoel voor de menselijke kant. “De grote lijnen bij Lubbers zijn altijd de macro-lijnen. Zijn grote gebrek is dat hij een antenne mist hoe het beleid bij de mensen uitwerkt, hoe het leven er echt uitziet.”

“Dat vind ik niet interessant”, zegt ze kortaf. De vraag was, wie er meer bereikt heeft: de machtspoliticus Lubbers in het centrum van de macht of de attaquerende politica in de oppositierol. Na enig aandringen wil ze wel een winst- en verliesrekening opmaken.

“Ik ben zelf niet ontevreden over een aantal dingen die bereikt zijn, maar ik ben nog steeds heel erg ongeduldig en de laatste drie jaar vind ik doodzonde. Zo'n kabinet, weer voor het eerst met de Partij van de Arbeid, heeft het absoluut niet goed gedaan. Ik vind dat het gefaald heeft.”

Een dag eerder had ze Lubbers nog hard aangesproken, op het tekortschietende CO2-beleid. “Hij is niet kwaad geworden, maar liep wel te ijsberen. Ik denk dat hij dat zelf toch ook moet hebben; dat kabinet moet voor hem toch ook een teleurstelling zijn. Er had veel meer op de rails kunnen staan.”

Over het politieke klimaat is ze hoopvol. De gedeprimeerde sfeer in de Tweede Kamer, die Van Mierlo waarneemt, proeft ze niet, integendeel. “Er is iets aan het veranderen. Er is weer debat, politici nemen weer initiatieven, ze komen ook uit hun kadertjes. Had je ooit voor kunnen stellen, Groen Links met D66 en VVD die samen voorstellen doen over de uitvoering van de sociale zekerheid, over de Wet arbeidskansen minderheden. Dat zijn dingen die nieuw zijn.”

Ronduit gelukkig is ze met de terugkeer van het normatieve element in de politiek. Ze prees bij de algemene beschouwingen van vorig jaar minister Hirsch Ballin voor zijn inspanningen. “Iedereen riep: "wat moet jij nou met Hirsch Ballin'. Maar ik vind, als je zoiets waarneemt, dat je het ook zeggen moet. Ik had gevraagd alle verhalen van hem op te zoeken, heb ze ook allemaal gelezen. Het begon met "de samenleving is ziek' en het eindigde met de laatste zin in zijn laatste artikel van dat moment: "als de politiek niet overtuigend is en zich alleen maar laat leiden door calculeren, door stemmentrekken, door opiniepeilingen en ook niet door normen en waarden, dan is zij niet geloofwaardig'. Daar ben ik het volkomen mee eens. Als de politiek zelf geen normen en waarden in huis heeft, moet ze ook niet praten over normen en waarden in de samenleving.”

Hoe ziet ze het politieke landschap dat ze straks achter zich laat? Twintig jaar geleden was er progressieve concentratie, het idee van een grote progressieve partij, nu staan de progressieve partijen naast elkaar en ogenschijnlijk ook ver van elkaar. D66 ver van de PvdA, de PvdA ver van Groen Links en omgekeerd. Nee, een progressieve volkspartij zou ze niet meer willen. “Dat is ouderwets, ik wil ook niet naar een systeem van twee grote partijen.”

Wat ze wel wil, waar ze op hoopt, is een paarse coalitie, een samenwerking van PvdA, D66 en VVD met, als het aan haar ligt, steun van Groen Links. Maar de toestand van de Partij van de Arbeid stemt haar somber over de kans erop. “Zolang de PvdA zo in de vernieling zit, is dat slecht voor het totaal van de progressieve partijen. Waar we met z'n allen op wachten is: waar gaat de PvdA voor kiezen? Waar het om gaat, is dat de Partij van de Arbeid aan zou moeten geven wat het hart van haar politiek is. Staat de duurzame solidariteit centraal, zoals Wöltgens heeft gezegd, of kiest de partij vanuit de gedachte van individualisering voor een mini-stelsel, waar Van Dam voor pleit. Want die twee dingen gaan niet samen, dat kan iedereen constateren.”

Weggaan, ze heeft er ongeveer net zoveel moeite mee als Lubbers. “Ja, ik schuif het nog ver voor me uit, heb het nog razend druk.” Half schertsend: “Ik zei laatst tegen Peter Lankhorst (haar tijdelijke ovolger, red.) dat ik, geloof ik, nog bezig ben overspannen te worden.” Eigenlijk had ze al weg moeten zijn. Voor de val van het kabinet Lubbers-II dacht ze aan haar laatste periode bezig te zijn als fractieleider van de PPR. De snelle vorming van Groen Links en de afspraak met de leiders van de oude partijen - de vrouwelijke trojka Van Es, Brouwer en Beckers - hield haar aan het Binnenhof.

Vorig jaar maakte ze bekend op te stappen en inmiddels woedt binnen Groen Links de opvolgingskwestie. Niet zozeer wie het moet worden, maar wie het zou willen. Kandidaten claimen een privé-leven en verlangen op grond daarvan een part-time leiderschap. Beckers: “De partijen waaruit Groen Links bestaat hebben altijd al gezegd: er moet op een andere manier gewerkt worden. We moeten niet tachtig uur per week bezig zijn. Ja, ik denk dat het een symptoom is en helemaal geen slecht symptoom.”

Straks is ze echt weg van het Binnenhof, maar zelf ziet ze geen breuk in haar leven ontstaan. De dingen die ik belangrijk vind om te veranderen, zijn voor mij ook niet echt gebonden aan het werken in een politieke functie. Ik heb ook niet het gevoel dat ik ophoud, ik ga gewoon door.''