Laat cd-koper meebetalen aan concertleven

De laatste decennia is klassieke muziek populair geworden bij een miljoenenpubliek en zo langzamerhand luistert één op de vijf Nederlanders wel eens naar dit repertoire.

Concertgebouwen hebben daaraan uiteraard bijgedragen. In overgrote meerderheid worden de luisteraars nu echter bereikt via de radio, de televisie, cd's en bandjes. Maar volgens minister d'Ancona van WVC speelt het grootste probleem van publiekswerving zich nog steeds binnen de vier muren van concertzalen af. Met één "inkomstenverhogende' maatregel wil zij de instellingen van podiumkunst (toneel, muziek en dans) minder afhankelijk van subsidie maken. Als zij “al te zwaar tegen de overheid aanleunen, ontlokt dat te weinig initiatieven om een groter publiek te verwerven”, schreef zij vorig jaar in haar nota "Investeren in Cultuur'.

Aan de werving van meer publiek verbindt de minister echter een inhoudelijke voorwaarde, en wel deze: wanneer kunstenaars en zaalhouders zich inspannen om meer publiek te werven, dan mogen zij dat niet doen door het kunstaanbod te laten "afdalen' tot de smaak van het grote publiek. Het moet andersom: de kunstaanbieders moeten zich inspannen het publiek "op te trekken' tot het artistieke niveau dat zij zelf ambiëren.

Het streven van de minister naar volle zalen moet worden gesteund. Niets is zo ontmoedigend voor kunstenaars en toehoorders als te zitten in halfgevulde zalen. Het is bekend hoe de zaalexploitanten zich telkens opnieuw moeten inspannen om de zaal vol te krijgen. Ze zullen het de komende tijd niet minder moeilijk krijgen. Want waarom zou je in een zaal gaan zitten als je je favoriete muziek daarbuiten ook kunt horen op een moment dat het beste uitkomt? Voor toneel ligt het misschien anders, maar muziek klinkt overal.

Het verschil tussen klassieke muziek binnen en buiten concertzalen is steeds minder een verschil in artistiek niveau. Verschil is er alleen voor wie het wil horen: het verschil tussen het origineel en de kopie. Terwijl het aanbod van originele muziek relatief duur en beperkt is, worden kopieën kwalitatief steeds beter en goedkoper. Ze komen bovendien in een steeds ruimere sortering beschikbaar. Geen wonder dat de liefhebber van klassieke muziek zwicht voor de zegeningen van de cd-installatie, de autoradio, de discman of de DAT-recorder.

Electronica heeft het voordeel dat je de muziek kunt aan- en uitzetten wanneer je wilt, terwijl je in een zaal moet blijven stilzitten tot de musici klaar zijn. Alleen verstokte concertgangers vinden uitsluitend de concertzaal geschikt als luisterplek, net als anderen televisie minderwaardig vinden aan het boek, of film inferieur aan toneel. Dat moge zo zijn, maar een groeiende massa cd-bezitters denkt daar minder ethisch over.

Muziek wordt door het ministerie wel gerangschikt onder podiumkunst, maar eigenlijk is zij dat nog maar voor een fractie. Het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft becijferd dat in 1992 klassieke muziek voor slechts twee procent in concertzalen werd beluisterd. De overige 98 procent verliep via de radio, de televisie, en de industrieel vervaardigde "geluidsdragers'. Uiteraard zit er een overlap tussen de groep concertbezoekers en de groep thuisluisteraars. Het is moeilijk na te gaan hoe de verhoudingen tussen thuisluisteren en concertbezoek precies liggen, maar aangenomen mag worden dat tegenover verlies aan publiek ook weer de winst staat van nieuw publiek dat via de cd doordringt tot concertzalen.

Hoe dan ook, de belangstelling voor klassieke muziek stijgt voornamelijk buiten de concertzaal. Terwijl het aantal concertbezoeken min of meer constant blijft, neemt het aandeel klassieke muziek in de geluidsbranche behoorlijk toe. In 1981 vertegenwoordigde de klassieke muziek nog zeven procent van de totale cd-omzet. Tien jaar later is dat aandeel bijna verdubbeld en goed voor 165 miljoen gulden. Toegegeven, de markt voor klassieke muziek is door het wegvallen van grootheden als Horowitz, Bernstein en Von Karajan wat ingezakt, maar volgens Polygram is de terugval van voorbijgaande aard.

Die taxatie lijkt mij juist. In een periode van drie decennia zijn honderdduizenden huiskamers door de muziekindustrie in concertzalen veranderd. Klassieke muziek klinkt moeiteloos door tot in de privé-sferen. Ze is te horen in de auto, bij de kapper, in restaurants, cafés, koffieshops, hotelliften, en boekwinkels. Meesterwerken als de Messiah van Händel, de pianoconcerten van Mozart en het vioolconcert van Beethoven zijn door de kopieluisteraars ontdaan van hun concert-aureool en overgebracht (wellicht volgens d'Ancona "afgedaald') naar het rijk van de easy listening. Buiten de concertzaal is een zó groot luisterpotentieel met eigen voorkeuren ontstaan, dat dat onvermijdelijk zijn weerslag heeft op de programmering van levende muziek op de podia. Muziekorganisatoren, impresario's en solistische musici stemmen hun artistiek beleid meer en meer af op de potentiële cd-kopers. Doen ze dat niet, dan lopen ze het risico door een platenmaatschappij of sponsor te worden teruggefloten.

Of door minister d'Ancona. Want haar eis dat de musici en hun zaakwaarnemers meer eigen inkomsten moeten verwerven komt óók tegemoet aan de wensen van het machtige consumentenleger. Eigenlijk een nieuw eerbetoon aan het oude profijtbeginsel. Dat beginsel was indertijd omstreden, omdat het niet zou stroken met de artistieke vrijheid van de kunstenaar.

Nu de consument niet alleen in de markt maar ook in het beleid zo sterk aanwezig is, wint het profijtbeginsel ook daar aan populariteit. Maar als we dat beginsel strikt toepassen: wie profiteren nu eigenlijk allemaal van de gesubsidieerde voorzieningen? Alleen die mensen die naar een concertgebouw gaan, of ook dat miljoenenpubliek dat de kwaliteit van componisten, uitvoerende musici, dirigenten en zaalakoestiek eenvoudigweg naar zich toehaalt? De regering wordt telkens gedwongen te bezuinigen op het kunstonderwijs, de (omroep)-ensembles en op andere muziekvoorzieningen in den lande. Tegelijkertijd zien de cd-maatschappijen dankzij een kooplustig publiek hun winstkansen toenemen. De minister, die blijkens haar nota zoveel belang hecht aan levende muziek in kunstinstellingen, voert een ouderwets muziekbeleid als ze de huiskamers van het "grote publiek' ziet als broedplaatsen voor "afgedaalde smaak'. Zij doet er misschien beter aan de zaal en de geluidsbox naast elkaar te zetten, en niet onder elkaar. Dan ziet de publieke belangstelling er opeens heel anders uit. Als de minister dan nog van mening is dat de kunstinstellingen te zwaar tegen de overheid aanleunen, dan zou zij op basis van het profijtbeginsel de cd-luisteraars mee moeten laten betalen aan de gesubsidieerde muziekvoorzieningen.

Concertgebouwen bedienen niet alleen een zaal vol mensen, maar ook miljoenen thuisluisteraars en zelfs een complete cultuurindustrie.