Koddebeiers

Ooit, toen de televisie nog zwart-wit was en Spanje een ver land, was koddebeier het hoogst bereikbare in Nederland. Voorschrijven, verbieden en veroordelen gold als het hoogste goed. Maar toen veegden de wilde haren van de jaren zestig de geesten schoon, en met de bh en de binnenkamertjesbenepenheid leek ook die bemoeizucht te verdwijnen. Nederland werd gidsland en een van de leefbaarste plekjes op aarde. Niet alleen zeldzaam rijk, maar vooral ook tolerant en humaan.

Maar aan bijna alles komt een eind. Vijfentwintig jaar na het echec van het burgermannendom laat een bijna uitgediende minister-president zien wat opnieuw het enige is waarnaar je in zijn positie nog kunt streven: het koddebeierschap. Voorschrijven, verbieden en veroordelen, vooral aan hen die over minder levenswijsheid dan jij zelf beschikken. De jeugd dus.

Minderjarigen, zegt hij, moet de toegang ontzegd worden tot koffieshops waar men hasjiesj en wiet verkoopt, en de PvdA zegt het hem na. Hoe verzint zo'n man het, nog even afgezien van hoe je een wettelijke beperking op onwettig gedrag kunt formuleren. Het is bedoeld tegen de groeiende jeugdcriminaliteit, zegt hij, alsof een sticky automatisch leidt tot crimineel gedrag. Als het om het spul zelf gaat kun je beter bang zijn voor een halve krat bier. Maar waarschijnlijk gaat het Lubbers vooral om de verderfelijke invloed van het bijbehorende schemermilieu. Gemakshalve vergeet hij daarbij dat de enige oorzaak van die half-illegale sfeer en van de interesse van criminelen voor hasj en wiet juist de wet is, die hij handhaaft.

Zo'n voorstel laat precies zien waarom men indertijd tegen het koddebeierdom te hoop liep: koddebeiers zijn betweters met dubbele oogkleppen. Ze weigeren om kennis te nemen van de feiten en steken nimmer de hand in eigen boezem. Altijd hebben anderen het gedaan.

Zou zo'n Lubbers nou bijvoorbeeld zelf wel eens een sticky gerookt hebben? En heeft hij toen meteen een oud vrouwtje aangerand? Zouden hij en die meeknikkende PvdA'ers eigenlijk weten wat hun kinderen, die later toch keurig terecht zijn gekomen, allemaal aan kattekwaad hebben uitgevreten? Of wat al die topambtenaren en kamerleden vijfentwintig jaar geleden op zolder rookten? Vast niet, anders zouden ze weten dat criminaliteitsbestrijding meer met boeven vangen te maken heeft dan met kinderen leren dat koffieshops enge maar spannende gelegenheden zijn waar je alleen in het geniep naar toe kunt gaan.

Ook laat de ervaring in het buitenland, waarnaar als het uitkomt zo graag verwezen wordt, zien dat dit soort toegangsverboden zinloos is. In Amerika mogen minderjarigen niet naar het café en is het streng verboden om alcohol aan hen te verkopen. Nog maar twee maanden geleden verschenen er de resultaten van een grootscheeps onderzoek naar drankgebruik onder middelbare scholieren. Ruim eenderde van hen gaf aan in de maand voorafgaande aan het onderzoek meer dan eens volslagen laveloos te zijn geweest, en bijna niemand dronk minder dan eens per week. Een mooi resultaat. Ook andere verslavende activiteiten, van tienerseks tot crackgebruik, onderdrukt Uncle Sam met verve, met als enig resultaat meer ongehuwde tienermoeders, meer drugverslaafden en meer jeugdcriminaliteit dan welk ander land ook. De dossierkennis van Lubbers wordt vaak geroemd, hij zou er de helaas op sterven na overleden prachtkwis Megabrein moeiteloos mee winnen. Alleen dit soort feiten kan hij maar nooit onthouden, net zo min als al die andere Haagse dossiertijgers.

De losgeslagen jeugd moet weer besef van normen en waarden krijgen, zegt onze koddebeier. Dat kan zo zijn, maar het is niet aan Lubbers om daarover iets te zeggen. Want wat kan de jeugd, of wie dan ook, daarover opsteken van een man die carrière maakte als het vleesgeworden opportunisme. De man die als geen ander jarenlang liet zien dat je van onder een walm van taaie woordenstroop alles kan verdedigen en verkopen. En die van draaien en smoezen een wetenschap maakte.