Ieren demonstreren massale walging van geweld

DUBLIN, 29 MAART. Ze zaten in de lantaarnpalen en riepen om vrede. Meer dan tienduizend Ieren stonden gistermiddag in O'Connell Street in Dublin, geboortegrond van de Easter Rising tegen de Engelse onderdrukker, en eisten een eind aan het geweld. Ruim een week na de IRA-bomaanslag in Warrington, Engeland, leek de bevolking van de republiek Ierland zich gisteren collectief te willen onderwerpen aan een schoonwassing van de wandaden uit haar naam begaan.

Met witte linten op jas en pet, met het woord "Peace' uit de krant geknipt en op karton tot badge gemaakt en met vredesduiven waren zij naar het postkantoor gestroomd waar Patrick Pearse in 1916 de vrijheid van de Ierse republiek proclameerde. De kogels waarmee de Ierse vrijheidsstrijders destijds werden bestookt door de Engelse troepen, hebben hun inslag achtergelaten in het neo-Dorische front van het gebouw. Maar dit was eindelijk eens een gelegenheid waarbij de Ieren hun pathologische hang naar nationaal herdenken de baas waren. Dit keer waren zij, kinderen op de schouders, peuters in de arm, gekomen voor de toekomst.

Eén vrouw, Susan McHugh (33), is bovenal verantwoordelijk voor het kanaliseren van de emoties die de IRA-aanslag op Moederdag Zaterdag in Warrington in de republiek losmaakte. Susan McHugh beschrijft zichzelf als een gewone huisvrouw, moeder van twee kinderen, parttime helpster in een peuterspeelzaal in Dublin. Ze heeft, zegt ze, geen neiging om zich met politiek te bemoeien. Maar ze was diep getroffen door de gevolgen van de bomaanslag in Warrington op 20 maart: Jonathan Ball, drie jaar oud, kreeg de volle lading van een bom die de IRA verstopt had in een afvalbak voor het warenhuis Boots. Hij was op slag dood. Tim Parry (11) ving de kracht van een tweede bom op. Zijn ouders leefden nog vijf dagen in vrees en hoop, vóór de artsen hen er van overtuigden dat het beter was de machines, die de jongen kunstmatig in leven hielden, uit te schakelen.

“Hij was zo'n vrolijke jongen. Het zou me nog niet verbaasd hebben als hij op dat moment was opgesprongen en "gefopt!' zou hebben geroepen”, zei Tim Parry's vader later. Jonathan Balls ouders hadden dertig jaar op de komst van dit enig kind gewacht en spraken machteloos over "onze kleine engel' en de hoop dat er "iets' goeds uit zijn dood mocht voortkomen.

Voor Susan McHugh was de dood van Jonathan Ball, ver weg over de Ierse Zee in Engeland, dichterbij dan het omkomen van de meer dan honderdtwintig kinderen sinds het begin van "the troubles' (1969) op haar eigen Ierse grondgebied. Wat in Noord-Ierland aan gewelddaden bedreven wordt, door de terroristen van beide zijden en door politie en leger uit naam van de staat, stuit in de republiek op onverschilligheid en minachting en een gevoel dat "dat tuig' niets "met ons' heeft te maken. Maar de dood van dit kind in Warrington deed de huisvrouw uit Dublin naar de telefoon grijpen en in een veelbeluisterd live-radioprogramma zei zij: “Hoe dúrven deze mensen uit mijn naam zulke wandaden te begaan? Wij moeten onze stem laten horen om het geweld te stoppen. Genoeg is genoeg.”

Sinds het midden van de jaren zeventig, toen Mairead Corrigan en Betty Williams de vrouwenvredesbeweging in gang zetten na een gruwelijke slachting in West-Belfast, heeft de republiek niet zo'n massale walging van geweld en zo'n hang naar een vreedzame samenleving op het Ierse eiland gedemonstreerd. Tienduizenden betoogden, als nu, over heel Ierland en heel Groot-Brittannië, tegen geweld en voor vrede. Voor het postkantoor waren er gisteren velen die ook toen het V-teken hadden gemaakt. Zij probeerden niet te denken aan de uitkomst van dat optimisme bijna twintig jaar geleden: Corrigan en Williams die de Nobelprijs voor de vrede kregen en besloten het geld zelf te houden. De verwijten die dat uitlokte, ontkrachtten de beweging en maakten dat de beide initiatiefneemsters jarenlang niet meer met elkaar spraken.

“Dat is een lange tijd geleden”, zeiden de demonstranten gistermiddag. “We moeten het opnieuw proberen. Hier moet een eind aan komen.”

Politici hebben zich gehaast hoffelijke handbewegingen te maken naar het volkssentiment: premier Reynolds herhaalde het cliché dat zijn regering bereid is om de tafel te gaan zitten met iedereen, op elke plaats en op elk tijdstip. Minister van buitenlandse zaken Dick Spring beloofde een nieuwe en inventieve aanpak van de vredesbesprekingen, in de erkenning dat er een andere strategie gevolgd moet worden. Maar iedereen weet dat de besprekingen tussen partijen in Noord-Ierland voor de zoveelste keer zijn opgeschort en vermoedelijk niet worden hervat voor de lokale verkiezingen in mei aanstaande.

Susan McHugh maakte gisteren publiekelijk excuses voor de blinde vlek die de bewoners van de republiek hebben voor de slachtoffers van het geweld in Noord-Ierland. Aan het begin van de bijeenkomst braken onder het publiek kleine opstootjes uit en werden spreekkoren van "Out! Out!' aangeheven jegens demonstranten uit Noord-Ierland die borden hieven ter herinnering aan de kinderen die doodgeschoten zijn door politie en leger.

“Elke centimeter film die aan hen besteed wordt, is er een te veel”, zei een man verbeten toen hij de kluwen televisieverslaggevers zag die zich op de groep stortte. Hij was dezelfde die net nog wiegend had meegedeind op de melodie van een gelegenheidslied over de wens voor vrede (“Sweet Jesus, we are sorry/Sickend to the core/The innocents of Warrington/Are never going home”). Maar een jeugdwerker uit Belfast - “en ik ben een Prod (protestant) bovendien” - kreeg even later de handen op elkaar toen hij het publiek opriep zijn kalmte te bewaren. “Niemand, van geen enkele zijde, heeft hier het exclusieve recht op verdriet.”

Wat voor Susan McHugh is veranderd sinds zij over Jonathan Ball hoorde, is het inzicht dat "het Noorden' al 24 jaar met soortgelijke verschrikkingen leeft - zonder dat ogenschijnlijk iemand er veel aandacht aan besteedt. Veel ouders van in de troebelen omgekomen kinderen hebben hun medeleven betuigd aan de families Ball en Parry. Maar zij hebben zich ook verwonderd over de vraag waarom de regeringen in Dublin en Londen nooit - zoals nu is gebeurd bij Jonathan Ball en Tim Parry - hebben aangeboden een vertegenwoordiging naar de begrafenis van hun kind te zenden.

Noch hebben zij, zeggen zij, brede steun van het grote publiek gekregen. Of, zoals een sociaal werker in Belfast het uitdrukte: “Zij zouden het liefst hebben dat wij hier in het Noorden langzaam afdrijven in zee en dan zinken. Het is een mengeling van gevoelens: deels schuld, dat dit in hun naam wordt aangericht, deels vrees dat het (geweld) zich zal uitbreiden naar hun grondgebied en alles overheersend het verlangen dat het hele probleem gewoon uit zichzelf zal verdwijnen.”