Het Oostenrijks Bal: voor kopstukken met heimwee naar een voorbije periode; "Lang niet iedereen is hier rijk'

“Tot vanmiddag drie uur belden gasten op met de vraag hoe lang hun avondjurk dient te zijn”, vertelt drs M. Zinschitz-Wassenaar, voorzitster van de Stichting Oostenrijks Bal. “Het antwoord luidt: tot op de enkels. Heren mogen in smoking maar een rokkostuum stellen we meer op prijs.”

Na afloop van hun ingestudeerde dansen vragen de debutanten ieder iemand ten dans, in de meeste gevallen een glunderende vader of moeder. Rudolf Edlinger, de Weense wethouder van woningbouw en stadsvernieuwing, heet alle aanwezigen officieel welkom. “Slechts weinig landen houden er reeds zo lang zulke vriendschappelijke betrekkingen op na als Oostenrijk en Nederland”, stelt de Oostenrijkse politicus enthousiast.

Anderhalf uur is uitgetrokken voor het nuttigen van het door de Oostenrijkse meesterkok Wolfgang Weissmann gecomponeerde buffet. De gasten spoelen de mond met Ruster Blaufränkisch Elfenhof (“boterig met aangename zuren, iets tannine en een lange afdronk”) of met Pinot Blanche Elfenhof (“wijn met een fruitige neus die meloen en zacht wit fruit naar voren brengt”).

Maar J. Meijsen, oud-hoofdambtenaar op het ministerie van onderwijs en wetenschappen, houdt het bij jenever. Hij komt al tien jaar op het Oostenrijks Bal en vormt in zijn “ambtskostuum van referendaris bij de departementen van algemeen bestuur, zoals vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 6 december 1829” een opvallende verschijning. Eigenlijk hoort hij ook “een steek met witte struisvederen” te dragen, “maar dat is nogal onpraktisch”. Meijsen komt niet om te dansen. “In dit kostuum is dat lastig, tenzij het een wel heel rustig verzoek betreft.” Zijn van blauwe zijdegaren borduursels voorziene jasje uitdoen is "ondenkbaar'.

Hij beklaagt zich over “de vervlakking” van de Nederlandse cultuur. “Het is nu zo ver dat je alleen hier nog ambtskostuums kunt dragen. Zelfs bij het Koninklijk Huis zijn die al afgeschaft”, zegt hij onder het gerinkel van zijn elf onderscheidingen. Nederland staat volgens hem “in het teken van de spijkerpakkencultuur”. Grandeur is er niet meer bij. Meijsen heeft besloten deze keer in Huis ter Duin te overnachten, hoewel hij in het naburige Den Haag woont. Vorig jaar ging hij met de taxi naar huis. “De chauffeur deed gewoon zijn voorportier open en vroeg me naast hem te komen zitten. Wat zijn dat voor manieren? Biologisch zijn we natuurlijk allen gelijk maar onderscheid bestaat wel degelijk.”