Bevolking vorig jaar iets minder snel toegenomen

DEN HAAG, 29 MAART. In 1992 hebben zich in Nederland minder buitenlanders gevestigd dan in 1991: 117.000 tegen 120.000. Daardoor groeide de Nederlandse bevolking vorig jaar minder snel.

Dit blijkt uit vandaag gepresenteerde cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Het inwonertal van Nederland bedroeg per 1 januari 1993 15,24 miljoen, 110.000 meer dan begin 1992, een stijging van 0,7 procent. In in 1991 groeide de bevolking met 0,8 procent ofwel 119.000 personen. Vorig jaar vestigden 117.000 buitenlanders zich in Nederland, terwijl de officiële emigratie 59.000 bedroeg en 15.000 personen bleken te zijn vertrokken zonder dat de gemeente was ingelicht. Dit betekent een immigratie-overschot van 43.000, 7.000 minder dan in 1991.

Van de ruim 15 miljoen inwoners in Nederland hebben er 756.000 een buitenlandse nationaliteit, drie procent meer dan een jaar eerder. In 1991 bedroeg de groei van het aantal niet-Nederlanders nog zes procent. Naturalisaties zijn volgens het CBS de belangrijkste oorzaak van het afnemen van de groei. Vorig jaar kregen 36.000 buitenlanders de Nederlandse nationaliteit, in 1991 29.000.

De daling van het immigratie-overschot was het sterkst bij Turken, Marokkanen en Antillianen. Bijna evenveel Antillianen en Arubanen vertrokken vorig jaar uit Nederland als er zich hier vestigden. Het immigratie-overschot van Turken nam af van 9.000 tot 4.000 en van Marokkanen van 7.000 tot 5.000. Volgens het CBS is deze daling een geleidelijk proces dat al enige jaren aan de gang is. De gezinshereniging loopt ten einde. Ook de gezinsvorming (hier wonende buitenlanders die in het land van hun afkomst een partner vinden) is in 1992 teruggelopen, terwijl zij de tien jaar daarvoor steeds toenam.

Het aantal immigranten uit het voormalige Joegoslavië en uit de EG-landen steeg wel. Het immigratie-overschot van personen uit Joegoslavië nam van 2.000 naar 4.000 toe. Immigratie-overschotten waren ook te noteren voor Somaliërs, Irakezen en personen uit de voormalige Sovjet-Unie.

Het geboorte-overschot (geboortecijfer minus sterfte) kwam met 67.000 personen 2.000 lager uit dan in 1991. Tegenover 197.000 geboorten stonden 130.000 overledenen. Iets meer vrouwen overleden dan een jaar eerder; het aantal overleden mannen bleef nagenoeg gelijk. Mannen hebben daardoor voor wat betreft hun levensverwachting hun achterstand op vrouwen opnieuw iets verkleind. Een vrouw wordt gemiddeld 80,4 jaar en een man 74,3, een verschil van 6,1 jaar. In 1987 was dat verschil nog 6,6.

In 1992 was Almere de gemeente met de grootste bevolkingsgroei. Dat was in de jaren daarvoor Amsterdam.