ZO WAS HET

Tweemaal deze week. Een welbespraakt heer, wat zeg ik, twee welbespraakte heren, van wie de een 55 jaar oud was en de ander 56.

Zij begonnen, zo meenden zij, geheel onafhankelijk van elkaar, aan de derde fase van hun leven. Glimlachende bezinning, kleinkind hier, kleinkind daar. Uit met de hond of thuis bij de wederhelft. Ochtendgymnastiek. Avondblad. Voor de 65 plussers - zeer veel plus vaak - zijn zulke redenaties niet te volgen. Wij begonnen toen pas, zo denken wij. Ook niet geheel naar waarheid, maar kom. Als je 65 was, hield je op. Als je hoogleraar was of bij de rechterlijke macht ging je door tot je 70ste. Als je er, om gezondheidsredenen, eerder mee moest stoppen was je heel eenzaam. Want iedereen was naar zijn werk. Zat op kantoor. Was op reis voor zaken. In de weekends had men dan wel tijd voor elkaar, want men ging veelal slechts eenmaal per jaar met vakantie. Sommigen 's winters. Anderen 's zomers. Vijftien jaar naar dezelfde plaats in hetzelfde hotel. Zelden een tweede huis en als er een tweede huis was, was het wat bouwvallig en er waren geen dekbedden maar ledikanten met lakens en dekens. Er bestond geen televisie en men deed spelletjes. Je verkleedde je voor het eten en de vrouwen droegen kousen en geen lange broek.

Er waren intellectuelen die een verre reis ondernamen en daar, het hele voorafgaande jaar, over lazen. De kinderen gingen dan veelal logeren bij vrienden met kinderen op dezelfde school of naar een kamp onder deugdelijke leiding, hoewel men daar toch ook niet altijd voor een uit de hand gelopen zedenschandaal uit de weg ging.

Voor zover ik mij herinner waren er toen ook geen dia's waar de genodigden tot laat in de avond ooooh en aaah tegen moesten roepen. Er waren wel foto's van de reis maar dat waren meestal kiekjes. Er werden veel ansichtkaarten gestuurd - en waarom zeggen wij geen prentbriefkaarten, een uitstekend Nederlands woord. Ja, er werden veel prentbriefkaarten verzonden, meestal door de vrouwen, die een lijstje meehadden met adressen. Geen postcodes, die bestonden nog niet. Wanneer diegenen die de prentbriefkaart toegezonden hadden gekregen er niet een terugstuurde als zij met vakantie waren, werden zij van het lijstje geschrapt. Je bleef tenslotte niet aan de gang.

Gesleep met koffers was zelden noodzakelijk. Op de grotere stations stonden kruiers met een nummer op hun zwarte pet. Zij droegen keurige witte jassen en luisterden naar de roep van "witkiel'. De koffers waren van leer en men had toiletzakjes met eigen zeep in een celluloid zeepdoos. Als je zeepdoos kapot ging, moest je maar een nieuwe vragen met Sinterklaas.

Oude mensen gingen nog zelden op reis. De duurderen gingen kuren in Frankrijk of Duitsland, dronken dan de hele dag bronwater en drentelden, het glas in de hand, door het park van het hotel, maakten een praatje en gingen op de weegschaal. Een heel gedoe zo een dag.

Over een derde levensfase sprak geen mens. Niet omdat die er niet was, maar men sprak niet zo veel.

Als je ziek was, ging je in bed liggen. Hoewel de dokter ook niet alles wist, wist hij uitzonderlijk veel van hoe het kwam dat je daar lag. Je deed precies wat hij zei en je keek het niet na in een boekje. De dokter had veel langer de tijd voor je dan die huidige zeven minuten-en-de-volgende-patiënt-kan-binnenkomen.

Hij kende zijn patiënt. Hij kende het gezin. Hij kende geen bypass. Nou en...