Vergeleken bij ijshockeyers zijn voetballers lafaards en matennaaiers; Krijgshaftigheid voert boventoon

ROTTERDAM, 27 MAART. Botsende lijven en vechtende sportlieden. Moralisten, mensen die hoge fatsoensnormen nastreven en mensen die verkillen bij lichamelijk contact wenden beschaamd hun hoofd af wanneer zij worden geconfronteerd met ijshockey. Zij veronderstellen dat primair gedrag slechts toebehoort aan primitieve wezens: een mens met verstand beheerst zich, mogelijke emoties en spontaniteit vragen om controle.

Het is niet alleen een kwestie van verschil in moraliteit en mentaliteit, maar waarschijnlijk vooral in cultuur. Waar in de grote ijsstadions van Noord-Amerika - vooral Canada - ijshockey is verheven tot het ultieme theater, waar wedstrijden worden beleefd als thrillers en westerns, wordt in Europa - zeker in Nederland - verontwaardigd gereageerd op zoveel sportgeweld.

Agressie bij de spelers in de arena roept agressie op bij de toeschouwers. Met name van voetbal afhankelijke mensen blijven dat hardnekkig ontkennen. Soms wordt dan verwezen naar ijshockey, het toch meest agressieve spel in de samenleving dat in Noord-Amerika bijna nooit tot agressie of zelfs tot vandalisme op de tribunes leidt.

Ze negeren het verschil in cultuur en mentaliteit. Natuurlijk verhit het spel op het ijs de gemoederen bij de toeschouwers, maar het leidt daar zelden tot onderlinge vechtpartijen of vernielzucht zoals in Europa. Er wordt gescholden, er worden wel eens attributen op het ijs gegooid en er dreigt wel eens een vechtpartij. Waar niet, waar mensen getuige kunnen zijn van een gelegitimeerde strijd? Maar strenge sociale controle weerhoudt de toeschouwers in Noord-Amerika van erger wangedrag. Kijkers die zich misdragen worden verklikt, uitgeleverd aan de politie en nooit meer toegelaten.

Supporters van de tegenpartij zijn er bovendien nauwelijks, omdat de stadions al voor de start van het competitie-seizoen met 15 tot 20.000 toeschouwers zijn uitverkocht. Kinderen zitten gezellig naast hun vader en moeder op de tribune. Ze genieten van het spel, omdat ze de regels kennen, alsof ze thuis voor de televisie een misdaadfilm meebeleven. Maar zelfs tussen wedstrijden in Canada en de Verenigde Staten bestaat een verschil. In Montreal applaudisseert het publiek nog als de plaatselijke Canadiens spelen, maar in Chicago waan je je in een lawaaiige saloon als de Black Hawks ten strijde trekken.

In Europa - dus ook in Nederland - bestaat geen ijshoc keycultuur. Echte liefhebbers zijn zeldzaam. Mensen die de regels kennen, zich met de sport vereenzelvigen, ook. De tribunes van de ijshallen worden voornamelijk bevolkt door (jonge) mensen die slechts een kick krijgen van vechtende ijshockeyers als een vrijbrief ook met elkaar op de vuist te gaan.

Nu staat het niveau van de spelers in Nederland allerminst garant voor boeiend spel. De smaakmakers zijn meestal Canadezen en Amerikanen (vaak emigrantenzonen met een Nederlands paspoort) die hun eigen land nooit de top hebben kunnen bereiken. Hard spelen en vechten kunnen de meesten wel. Ze dienen als voorbeeld voor de nog minder begaafde Nederlanders, want die willen niet achter blijven.

Door coaches uit Zweden en Tsjechoslowakije, landen waar ijshockey minder fysiek en met meer spelpatronen wordt gespeeld, aan te trekken is door de jaren heen door ijshockeybestuurders getracht een speelwijze aan te moedigen die bij Nederlanders past. Al was het alleen maar om de slechte reputatie die Nederlanders door de Canadese invloeden hadden opgebouwd weg te werken. De huidige bondscoach is Larry van Wieren, in Friesland geboren maar in Canada getogen. Hij probeert al enige jaren die lijn door te trekken. Zelf was Van Wieren als Nederlands international een vertegenwoordiger van de Canadese ijshockeycultuur. Mannelijk, keihard, maar tot aan grenzen die het spel met zijn zeer strenge regels stelt.

In de geschiedenis van ijshockey voert krijgshaftigheid de boventoon. Canadese mannen vertellen trots over hun wonden en littekens, over het aantal tanden dat zij missen. Bij ijshockeyers vergeleken zijn voetballers verwende kinderen, lafaards, matennaaiers. Wie zich laat vallen alsof er een overtreding tegen hem is begaan, wacht een straf van de scheidsrechter en zeker een pak rammel van een tegenstander. Wie een vuist- of lijf-aan-lijf gevecht uit de weg gaat, wordt door zijn medespelers, zijn coach en het publiek afgeschreven. Een eerlijker sportgevecht dan een ijshockeywedstrijd bestaat er niet, zeggen de Canadezen.

De juiste oorsprong van de "snelste teamsport ter wereld' vindt zijn verhaal in talrijke overleveringen. In de "Hockey Hall of Fame' in Toronto hangt het portret van James T. Sutherland als de "Father of Hockey'. Deze commandant van de Royal Canadian Rifles werd met zijn regiment in 1854 na terugkeer uit de Krimoorlog gestationeerd in Kingston. Hij organiseerde als tijdverdrijf met Kerstmis 1858 voor zijn manschappen op het ijs van de haven van Kingston een spel. Een bal moest worden voortgejaagd door een slaghout of een daarop gelijkend verlengstuk van de arm.

Het spel was een combinatie van balspelen als het Ierse hurling, het Schotse shinty, het Engelse bandy, het Canadese lacrosse en het Nederlandse kolven. Op kolven en bandy na buitengwoon gewelddadige sporten, waarbij het slaghout meer ten dienste stond om de tegenstander uit te schakelen dan om de bal in de gewenste richting te sturen.

Sutherland liet zijn soldaten op het ijs spelen met sticks die Britten hadden meegenomen. Het soort schaatsen dat zij droegen werd "runners' genoemd (schaatsen die onder rijglaarzen werden geschroefd), het doel was niet meer dan een streep en het speeltuig was nog een stuitende lacrosse-bal. De twee partijen bestonden ieder uit vijftig man. Het grootste genoegen schepten de soldaten erin elkaar meedogenloos af te tuigen. IJshockey was geboren.

Drie studenten van de McGill University in Montreal (W.F. Robertson, W.L. Murray en R.F. Smith) fatsoeneerden in 1879 de "Sutherland-regels' door een aantal elementen van de veldhockey- en rugbyregels, meegenomen uit Engeland, toe te voegen en de ergste wreedheden van shinty, hurling en lacrosse te schrappen. Als speeltuig diende een hardrubberen schijf. In 1885 werd de eerste competitie, waarvoor vier clubs inschreven, volgens deze regels gespeeld.

Om de ledematen te beschermen tegen met name klappen van de sticks werden aanvankelijk stukken vilt onder shirt en broek gestopt. Uitgezonderd doelverdedigers droegen de spelers rond 1900 nog geen handschoenen. De beschermers werden naar mate het spel meer verwondingen aanrichtte steeds sterker en geavanceerder. Rond 1920 verscheen de eerste doelman met een masker omdat de puck zulke grote snelheden bereikte dat gezicht en strottehoofd niet langer veilig waren.

Bijna geen lichaamsdeel van een ijshockeyer dat nu nog niet is afgedekt. Nog niet eens zo lang geleden werd de helm verplicht gesteld en bij junioren het gezichtsmasker (tralies of plexiglas). Maar hoe meer lichaamsbescherming, zou je zeggen, hoe meer kans op verruwing, de spelers weten zich immers beschermd. De internationale amateur- en proffederaties proberen een halt toe te roepen aan het geweld op het ijs. Vechtpartijen, toch de traditionele essentie van een ijshockeywedstrijd, moeten aan banden worden gelegd door de scheidsrechters. IJshockeyers mogen niet langer vereenzelvigd worden met wilden.

Geen teamsport die zulke strenge spelregels kent. Overtredingen als charging, high sticks, elbowing, interference, spearing, butt ending, cross checking, tripping, roughing, slashing, hooking, holding, clipping, kicking, deliberately injuring, fighting, misconduct toward officials, worden bestraft met twee minuten, vijf minuten, tien minuten, een hele wedstrijd of langere uitsluiting. Maar lichamelijk contact door middel van een stevige bodycheck (zonder stick ertussen) wordt aanbevolen. De scheidsrechter draagt sinds een paar jaar een helm.

Dat ook zonder razend geweld gewonnen kan worden, bewezen de afgelopen dertig jaar de Russen bij confrontaties met de Noordamerikanen. Gedrild in kampementen, waar hen werd geleerd op schaatsen te dansen en te springen en met hun sticks te toveren, waar hen werd geleerd lichamelijk geweld zonder te verblikken en te verblozen te incasseren en waar tot in den treure met spelautomatismen werd geëxperimenteerd. Esthetisch verantwoord ijshockey dus.

Maar in Noord-Amerika houden de liefhebbers niet van dit ijshockey. Gewend als ze zijn dat de ijshockeyers de puck met een klap in de vijandige linies deponeren om daar door middel van lef en gepantserd lijf de tegenstander te overrompelen. Toch werden Russen, Zweden en Tsjechen door de kapitalistische clubmanagers naar de Noordamerikaanse profclubs gehaald om het spel meer dimensie te geven. Het antwoord van de Canadese en Amerikaanse spelers was voorspelbaar. De Europeanen werden geprovoceerd en onthaald op een extra portie geweld. “Jullie komen ons het brood uit de mond stoten. Dan zul je er ook voor moeten vechten.”

Geheel in strijd met de opvattingen van de ijshockey-freaks, is het spel van de grootste speler aller tijden. Wayne Gretzky speelde voor de Edmonton Oilers alvorens hij tegen de prijs van miljoenen dollars en drie spelers werd verhandeld aan de Los Angeles Kings. Hij brak al zowat alle doelpuntenrecords. Hij speelt nog steeds en is de trots van alle Canadezen. Wat hij kan met de stick en de puck grenst aan het bovennatuurlijke. Gestraft wordt hij zelden. Want hij speelt als een danser. Blond is zijn haar, blauw zijn zijn ogen. Hij is een engel in de hel van het ijshockeygeweld.

Bronnen: The Encyclopedia of Sports by Martin Tyler (1975) en Koud Vuur door Ed van Opzeeland (1981).