TOEN CRIMINALITEIT NOG ANDERS WAS

Smash and Grab. Gangsters in the London Underworld door Robert Murphy 182 blz., Faber and Faber 1993, f 55,- ISBN 0 571 15442 5

Het is eigenlijk een wonder dat Engeland nog drijft. De ernstigste economische en morele recessie sinds de Slag bij Hastings hangt als een loden last om de nek van het pathetisch Albion. Volgens recente peilingen droomt bijna de helft van de Engelse jongeren ervan zo snel mogelijk te emigreren na de schoolbanken. Geen wonder dat per maand tweehonderd gevallen van mishandeling van onderwijzend personeel door leerlingen worden gerapporteerd. Deze week nog was er een gewelddadige verkrachting van een lerares door twee dertienjarige jongens die moesten nablijven. De natie die net was bijgekomen van de moord op een tweejarig kind door een tienjarig jongetje hapte weer even naar adem.

In deze zee van malaise lijkt slechts één ding Engeland nog boven water houden: het goede boek. Die worden nog steeds met schijnbaar gemak aan de lopende band geproduceerd, en niet voor niets is tegenwoordig "misdaad in Groot-Brittannië' een favoriet onderwerp.

Ego-documenten over misdaad zijn er vele in Engeland. Er is geen natie ter wereld waar zoveel moordenaars, afpersers, inbrekers, souteneurs, flessetrekkers en andersoortige zware jongens naar de pen (of een ghost-writer) hebben gegrepen om hun visie op de menselijke existentie vast te leggen. Britse misdadigers schrijven misschien wel meer en zeker leuker dan Nederlandse academici, en dat heeft een interessant corpus van memoires opgeleverd. De bekendste daarvan zijn ongetwijfeld Jail Journey, Criminals in Real Life en Nine Murderers and Me van de intelligente IRA-scherpschutter en carrière-crimineel met een literaire gave Jim Phelan, Boss of London's Underworld door Billy Hill, die bijna dertig jaar lang aan de touwtjes trok in Soho, Jack Spot: Man of a Thousand Cuts waarin op volkomen onbetrouwbare wijze het leven is opgetekend van zijn grote rivaal, en het nog vorig jaar verschenen Inside the Firm. The Untold Story of the Kray's Reign of Terror door Tony Lambrianou, een "onderaannemer' van de beruchte tweelingbroers Ronnie en Reggie Kray, die tijdens de jaren zestig gekleed in hun ontzagwekkend scherp gesneden maatkleding de binnenstad van London in een flamboyante maar bloedige greep hielden.

BOKSBEUGELS

Overigens hebben ook rechercheurs van Scotland Yard zich altijd schrijflustig getoond, en is er natuurlijk in de Britse historische wereld een florerende tak die zich louter met de onderwereld bezighoudt. Het onlangs verschenen Smash and Grab. Gangsters in the London Underworld van de film-journalist Robert Murphy kan zich meten met het beste wat op dit terrein is verschenen. Op een onderkoelde en volstrekt niet heroïserende wijze schetst hij de wereld van de Engelse misdaad vanaf 1920 tot 1960.

Het was een wereld die wortelde in armoede, veel kleinschaliger was dan die in de Verenigde Staten, en minder dodelijk bovendien. De Engelsen gebruikten geen machinegeweren, wel scheermessen, bijlen en boksbeugels. Misdaad was bovenal een lokaal verschijnsel, een genre de vie van wijkbewoners.

De onderwereld zorgde tijdens het interbellum voor de onmisbare sociale functies die de bovenwereld verdrongen had: prostitutie, drugs, gokken en drank na sluitingstijd van de pubs. Het was de tijd dat illegale clubs konden floreren, zoals die van de "Night-Club Queen' Kate Meyrick, een Ierse van goede komaf die besloot op een meer opwindende manier in het onderhoud van haar acht kinderen te voorzien. Zij was niet alleen de eerste Ierse vrouw die een fiets bereed, maar ook de eerste exploitant die in West End op profesionele wijze een keten van clubs uitbaatte. De beroemdste daarvan was de "43', bezocht door bohemiens als Joseph Conrad, Jacob Epstein en J. B. Priestley, maar ook door aristocraten en misdadigers met veel geld, zoals de befaamde inbreker Ruby Sparks, die er genoegen in schiep champagne te drinken met dezelfde mensen wier juwelen hij placht te stelen.

Ondanks ruimhartige donaties aan de lokale politie werd Kate Meyrick veroordeeld tot dwangarbeid. Toen haar spaargeld door de Crisis van 1929 wegsmolt, restte haar niets dan het schrijven van haar memoires (Secrets of the 43), maar nog terwijl het boek ter perse was, overleed ze.

BRIGHT YOUNG THINGS

Een ander held uit het milieu was "Brilliant' Chang, een enigmatische Chinese zakenman die verantwoordelijk werd geacht voor de aanvoer van cocaïne, heroïne en morfine naar Londen na de Eerste Wereldoorlog. Niet alleen mannen die de loopgraven hadden overleefd, maar ook veel jonge middle-class meisjes zochten hun heil in de pharmaceutica.

Chang omringde zich gaarne met deze "Bright Young Things', die overigens met grote regelmaat door gebrek aan ervaring zichzelf dodelijke doses toedienden. Hoewel hij in de Britse verbeelding onuitwisbaar de figuur van de onbetrouwbare oriëntaal impregneerde, is zijn betrokkenheid bij de drugshandel altijd zwaar overdreven, concludeert Murphy.

Wel gerechtvaardigd is de faam van "the king of the country house cracksmen', George Smithson. "Gentleman George' was een goed opgeleide, uiterst beleefde en welbespraakte man die met zijn niets vermoedende vrouw en kinderen een prachtig apartement in het chique Kensington bewoonde. Tijdens zijn slechts drieëneenhalf jaar durende criminele carrière begaf hij zich honderden keren 's nachts op de fiets naar de buitens der rijken alwaar hij een rijke buit verzamelde. Totdat hij tegen de lamp liep door een compagnonschap met een minder handige insluiper die voortdurend borstbeelden omverliep en zilveren schalen uit zijn handen liet kletteren.

Smithson had de pech dat de Engelse gerechtshoven inbraken bij de elite zeer streng bestraften. Veel strenger dan misdaad tussen criminelen onderling. Bloedige kloppartijen tussen bendes leidden zelden tot zwaardere straffen dan enkele maanden, de voortdurende gewelddadige fraude op de race-banen en in het gok-circuit werd bijna nooit bestraft, maar inbrekers die op heterdaad werden betrapt, kregen drie tot vier jaar en tuchtiging met de zweep.

ONGEKENDE KANSEN

Door de relatieve onkwetsbaarheid in de achterbuurten konden daar in de jaren dertig kleine misdaadrijkjes ontstaan, niet zelden gebaseerd op etnische banden (zoals de "Italianen' en de "joden' die langlopende territoriumconflicten uitvochten). Een legendarisch koning van zo'n rijkje was Billy Hill. Begonnen als loopjongen bij een plaatselijke middenstander, waarbij hij informatie over te plunderen huizen verzamelde, eindigde hij na de oorlog als de grote man achter de nimmer opgeloste beroving in 1952 van een postauto met 287.000 pond aan gebruikte bankbiljetten en in 1954 van een KLM-lorry gevuld met goudstaven.

Murphy onderstreept dat de Tweede Wereldoorlog aan veel Engelse kleine criminelen ongekende kansen bood. Niet alleen op de zwarte markt, maar ook in de prostitutie. De toestroom van soldaten, de sociale ontwrichting en de verduistering betekenden voor deze bedrijfstak gouden tijden. In Hyde Park en aanpalende plantsoenen werd massaal gebruik gemaakt van het donker om op de openbare weg te copuleren, hetgeen in de explosies van afweergeschut een fascinerend gezicht moet zijn geweest.

Het beeld van Engeland in oorlog dat uit dit boek oprijst, is bepaald niet dat van een standvastige en vastberaden natie. Murphy schets hoe de samenleving slechts draaiend kon blijven door omvangrijke illegale handel, voordurend gefraudeer, grootschalige diefstal van distributiebonnen, en het systematisch beroven van de gebombardeerde huizen.

Aardig in Smash and Grab is vooral dat het geen idealiserend beeld oproept van de Engelse onderwereld. Er is niets romantisch aan een levenswijze waarin geweld, hebzucht en het maken van slachtoffers centraal staat. Wel wordt duidelijk dat misdaad destijds anders was. De grote showdown op 11 augustus 1955 tussen de onderwereldzwaargewichten Albert Dimes ("Italian Albert') en Jack Spot speelde zich bijvoorbeeld af bij de lokale groenteboer waar de heren elkaar met aardappelmesjes te lijf gingen. Daar kwam een einde aan toen de uitbaatster hen met de weegschaal haar zaak uitmepte.

Rond 1960 veranderde er iets. De welvaart nam snel toe, waardoor de belangen plots veel groter werden. Terwijl in Liverpool de eerste akkoorden van de Beatles klonken, maakte in Londen de Kray-tweeling zich op om met moderne efficiëntie de nieuwe tijd in te luiden. Hun opzet was bedrijfsmatig, met een goede PR (ostentatieve liefdadigheid, fotosessies met Christine Keeler en Judy Garland) en veel connecties met het buitenland. Engeland zou nooit meer hetzelfde zijn, en de Engelse misdaad ook niet.

Hoewel - onlangs zond de BBC een documentaire uit waarin werd getoond hoe jongens van elf jaar koelbloedig midden overdag de huizen in hun wijk leegroofden. Dit is niets anders dan het in de jaren dertig zo epidemische "drumming' waarmee de puber Billy Hill de eerste schreden zette op weg naar zijn eretitel "Boss of Britain's Underworld'.