Scrape

Pim Bijsveld (ik heb zijn naam veranderd) was mijn beste vriendje - zo goed dat we zelfs dezelfde tas naar school droegen, een soort fietstas van bruin oliegoed, met aan de ene kant mijn boeken en aan de andere de zijne. We droegen hem dus om beurten, maar het was niet echt ver naar school, acht minuten schat ik. Eerst de straat uit, dan op de wetering rechtsaf, en weer links een laantje in. Aan het eind was het schoolhek.

Het was het laatste oorlogsjaar en we kregen net weer les. Dat had een tijdje stilgelegen vanwege het feit dat de leraren niet meer naar school konden komen omdat het openbaar vervoer ophield en omdat de school ook niet verwarmd kon worden. We kregen dan wel eens les bij iemand thuis, van een leraar of lerares die in de buurt woonde.

Pim was koppig en goedlachs. Ons fluitje was "There's a girl in Calico', wat we gehoord hadden op Radio Luxemburg, van het orkest van Tommy Dannymore. Dat was onze lijn naar de echte wereld, de echte muziek, want er was natuurlijk niks in Rotterdam in die tijd.

We kenden de Duitsers van haver tot gort. Er was altijd verhoogde paraatheid in ons blok, want op de ene hoek woonde Gillet, directeur van Gilda toffees, die sinds hij geweigerd had een maandgeld aan de ondergrondse te betalen bedreigd werd (zijn zoon werd, als waarschuwing, door zijn wangen geschoten, ene kant in, andere kant uit, je kon de kruisjes van de hechtingen aan beide kanten nog ziet zitten) en door soldaten op de fiets begeleid werd als hij 's avonds van zijn werk kwam. In onze straat haalden ze de FG 42's van de schouder en legden ze over het stuur, tot vuren gereed.

Ik had ook een keer, uit het dakraam aan de achterkant van ons huis, twee mannen op een tandem gezien, waarvan de bijrijder, achteruit vurend, een politie-inspecteur dodelijk trof die juist van de fiets stapte voor zijn huis. De man wist teveel van de KP (Knokploeg) in Rotterdam, en in het bijzonder van een bedrijfsleider van Jamin, een bijzondere man, Marinus van der Stoep, opererend onder de naam "Rob', die uit een sterk rechtsgevoel bij het verzet was gegaan en op alle terreinen tegelijk opereerde, onderduikers helpen met bonkaarten en geld, vaak uit eigen zak, maar vooral uit het overvallen van distributiekantoren, zoals dat in Schoonhoven en in Rotterdam, op het Afrikaanderplein, waar Van der Stoep een eveneens gewapende NSB-er gelastte de handen omhoog te steken. De man liet zijn pistool van schrik vallen.

Pim en ik zochten in die tijd ijverig naar granaatsherven als het 's nachts weer eens raak was geweest, we lazen de illegale krantjes en we hielden de opmars van de Russen, de Amerikanen en de Engelsen op een kaart bij. Af en toe sloot ik de elektriciteit weer aan bij mensen, zonder de verzegeling te beschadigen. Ik had dat van een zwakbegaafde vaandrig van de (verboden) padvinderij geleerd.

Nadat Van der Stoep ook nog gevangen genomen illegalen uit het hoofdbureau van Politie op het Haagse Veer had bevrijd, niet echt gemakkelijk zoals iedereen weet die het gebouw kent, werd hij leider van de nieuw opgerichte NBS, en bereikte enige maanden later, op 12 januari '45, nadat zijn kano omgeslagen was, toch Lage Zwaluwe, van waaruit hij naar Engeland werd overgevlogen om de toestand in Zuid-Holland te bespreken.

Op de ochtend van 28 februari was Pim al weer vroeg op. Er was die nacht flink geschoten, en het afweergeschut stond vlakbij, aan het eind van de wetering, dus er viel zeker wat te halen. Omdat ik later op was, lag er niks meer en moest Pim de tas maar alleen dragen. Diezelfde ochtend vroeg belde Marinus van der Stoep aan bij het eerste huis dat hij zag nadat hij in de Noordeindse Polder, bij Berkel, was "afgegooid'. ""Ik kom uit Engeland'', zei hij tegen de woedende man die opendeed. Deze, een NSB-er, geloofde hem niet, en gooide de deur in zijn gezicht dicht, maar de familie Van der Ende, Noordeindseweg 352, liet hem binnen. Hij begroef zijn helm, schoenen en springpak in de put in de tuin, schold op de almaar doorblaffende hond en liep onbekommerd richting Rotterdam, hoewel het nog spertijd was. Hij had zich, door schade en schande wijs geworden, in Engeland steeds "Van Schelven' genoemd, en had geëist zonder aankondiging, en dus zonder "ontvangstcomité' afgeworpen te worden. De codenaam van zijn terugkeer was "Mission Scrape'.

Enkele maanden later, op 5 april, merkten Pim en ik verhoogde activiteit in de buurt. Op het eerste bruggetje was een mitrailleur geplaatst, in de tuinen achter de huizen liepen patrouilles en vanuit het huis aan de Oudorpweg waar het hoofdkwartier van de Gestapo was, werd gevuurd op Pim's overbuurman, een oude scheepskapitein die voor het raam een lucifer aanstak om de spanjolet te vinden. De lucifer werd uit zijn hand geschoten. (Na de oorlog zouden we merken dat hij drie Amerikaanse vliegers in huis had).

's Avonds laat begon het pas echt. Er werd wild geschoten, bij de buren links stonden de gordijnen in brand en wij lagen achter het bed op de eerste verdieping in het gebroken glas. Er vluchtten mensen door de tuin, twee SD-ers belden aan om huiszoeking te doen en Pim werd buiten aangetroffen met een granaatscherf vol bloed in zijn hand. De zwaargewonde man die in het poortje lag was al weggehaald en naar het Marine Lazarett gebracht omdat ze hem levend wilden hebben.

""Wat heb je gezien, wie waren het, waar gingen ze heen?'' vroeg een officier aan Pim.

""Ik weet niks,'' zei de toen veertienjarige ferm. En terwijl zijn ouders ontzet door het zijraam keken, werd Pim tegen de muur van zijn eigen huis gezet tegenover een groepje van vier soldaten die het geweer in de aanslag brachten.

""Als je niks zegt, schieten we je dood,'' zei de officier.

Pim lachte, zoals altijd wanneer hij zenuwachtig was. ""Ik weet echt niks,'' stotterde hij door het lachen heen, ""hoe kunnen jullie mij nou doodschieten als ik niks weet?''

Pim's moeder viel flauw. De Untersturmführer keek onzeker. Een lachende jongen van veertien, das war auch so etwas.

Twee dagen later overleed Marinus van der Stoep, zonder bij kennis te zijn geweest. Iemand van de groep, "Chris', "Jos', "Wim', "Ferdinand', "Staf', "Zeeuwse Joop', "Kees' of "Charles' had de boel verraden.

Pim en ik hebben de granaatscherf met bloed in de wetering gegooid.

Een maand later waren we vrij.