Operatie goud

Vorig jaar zomer wist de president van De Nederlandsche Bank, dr. W. Duisenberg, minister Kok van Financiën van de noodzaak te overtuigen om een kwart van de goudreserve op de markt te brengen: "De tijd is rijp.' Een deel van het Nederlandse goudoverschot is hoogstwaarschijnlijk eind vorig jaar verkocht aan de Volksrepubliek China. De miljardenoperatie, die zich in het diepste geheim voltrok, levert de staat vanaf 1994 jaarlijks zo'n 400 miljoen gulden extra winst op. "Een deel van de verkoop is buiten de markt omgegaan.'

C. van Ewijk en L.J.R. Scholtens: De winstgevendheid van De Nederlandsche Bank, in: ESB 1-7-1992. In ESB van 19-8-1992 stond een vervolg en in ESB van 20-1-1993 gingen beide auteurs in op de goudverkoop.

Nee. Het goud van De Nederlandsche Bank is niet in het diepste geheim op Schiphol in een Chinees vrachtvliegtuig geladen en naar Peking gevlogen. Het goud van De Nederlandsche Bank is blijven liggen waar het lag, in de kluizen van de Bank of England waar het al jaren veilig is ondergebracht. Alleen de bordjes met de naam van de eigenaar van de goudbroodjes zijn verhangen. Daarbij was één opmerkelijke naam: voor handelaren in de internationale goudmarkt staat vast dat de Chinese Volksbank, de centrale bank van de Volksrepubliek, een deel heeft gekocht van de 400 ton goud, een kwart van de Nederlandse goudreserves, die De Nederlandsche Bank eind vorig jaar in het grootste geheim op de markt heeft gebracht.

""Het staat voor 99 procent vast dat de Volksbank van China een van de kopers van het Nederlandse goud is geweest'', zegt Philip Klapwijk van Gold Fields Mining Services, een met de Zuidafrikaanse goudmijnen verbonden instituut in Londen dat gespecialiseerd is in onderzoek naar de goudmarkt. Ook andere Londense goudhandelaren hebben sterke vermoedens dat China bij de goudtransactie van De Nederlandche Bank betrokken was. ""We hebben opgemerkt dat de Chinese centrale bank de afgelopen maanden goud heeft gekocht'', zegt John Coley van de Londense goudhandelaar Sharp Pixley en woordvoerder van de London Bullion Market Association.

Op het ministerie van financiën in Den Haag en bij De Nederlandsche Bank in Amsterdam kent men het verhaal van de Chinese connectie, maar wil men er niet op reageren. ""Alles is ter plekke in Londen verkocht'', zegt de woordvoerder van De Nederlandsche Bank, mr J.H. du Marchie Sarvaas. De centrale bank zwijgt over de vraag wie is ingeschakeld bij de verkoop en wie de afnemers zijn geweest. ""Het is niet in ons belang om hierover mededelingen te doen'', zegt hij. Hij wil slechts kwijt dat de transacties op verschillende manieren zijn opgezet en dat De Nederlandsche Bank niet direct zelf de markt is ingegaan.

De woordvoerder van het ministerie van financiën, drs R.P. Florisson, zegt niet te weten waar het goud is gebleven dat met goedkeuring van de minister van financiën is verkocht. Sommige dingen, voegt hij er aan toe, wil je liever ook niet weten. Leden van de Tweede Kamer hebben helemaal geen idee op welke wijze het goud is verkocht. Bij de brief waarmee minister van financiën W. Kok op 12 januari de Kamer inlichtte over de goudverkoop, zat een "Toelichting'. Hierin waren de ""technische aspecten'' omtrent de verkoop uit de oorspronkelijke briefwisseling tussen de president van De Nederlandsche Bank en de minister van financiën weggelaten. Het ging om een essentiële passage, waarin de naam stond van de bemiddelaar bij de goudverkopen, de Bank voor Internationale Betalingen, de "centrale bank van de centrale banken'.

Verpatser

Als ergens geldt dat spreken zilver is en zwijgen goud, dan is het in de wereld van de centrale banken. Zo ook met de "operatie goud'. April 1992 ontwikkelde De Nederlandsche Bank het voornemen om een deel van de goudvoorraad te verkopen en de opbrengst ervan toe te voegen aan de deviezenreserves. De directie van de centrale bank, bestaande uit president dr. W.F. Duisenberg en drie directeuren, keurde het plan goed. Slechts enkele andere medewerkers werden op de hoogte gesteld. In juni bracht Duisenberg het plan ter sprake tijdens een van zijn wekelijkse lunch-ontmoetingen met de minister van financiën. Kok aarzelde aanvankelijk en vreesde dat hij te boek zou komen te staan als de verpatser van het nationale goud.

Duisenberg legde uit dat juist het solide begrotingsbeleid van Kok en de sterke positie van de gulden de goudverkoop mogelijk maakten. Dat overtuigde. Op het ministerie werden de plaatsvervangend thesaurier-generaal (de thesaurier stond op het punt van vertrek) en de directeur binnenlands geldwezen ingelicht. Op 29 september stuurde Duisenberg een brief aan Kok waarin hij uiteenzette dat de de verkoop bedoeld was om de omvang van de goudreserves ""meer in overeenstemming te brengen met die van andere belangrijke goudhoudende landen''. De verkoop mocht niet tot vertrouwensverlies in de gulden leiden, niet dienen om de staatskas met de opbrengst te spekken en mocht niet leiden tot verstoring van de goudmarkt. ""Een zeer hoge mate van geheimhouding is daarom geboden'', schreef Duisenberg. Als onverwachts problemen zouden rijzen, zou De Nederlandsche Bank van de operatie afzien.

De minister van financiën verklaarde zich op 2 oktober akkoord met de voorwaarden van Duisenberg en in de herfst volgde in verschillende transacties de verkoop op de termijnmarkt in Londen. Daarbij werd de Bank voor Internationale Betalingen (BIB) ingeschakeld als tussenpersoon. De BIB, die is gevestigd in Bazel en in 1930 werd opgericht om de Duitse herstelbetalingen te administreren, is zo gesloten als het Zwitserse bankgeheim. Wie belt naar de BIB kan langdurig genieten van Eine kleine Nachtmusik als telefonische wachtmelodie, om uiteindelijk te horen dat de BIB nooit met informatie naar buiten treedt.

Duisenberg lichtte de goudverkoop toe in een vergadering van de BIB op 12 januari 1993. De verkoop was toen al achter de rug, alleen de leveringen moesten nog plaatsvinden. Niet alle lidstaten van de BIB waren ingenomen met de Nederlandse stap. Ze waren evenmin geconsulteerd. Diezelfde dag maakte De Nederlandsche Bank het nieuws ook aan de buitenwereld bekend. Een ploeg van het NOS-journaal was - onder de belofte van geheimhouding - naar Bazel gevlogen voor een interview met Duisenberg. ""De tijd is rijp'' voor de verkoop van een deel van de goudvoorraad, zei de president.

Het nieuws sloeg in als een bom. Op de goudmarkt circuleerden eind vorig jaar wel geruchten over mogelijke Nederlandse verkopen en op grond van deze geruchten vroeg een correspondent van het persbureau Reuter in november om een reactie bij De Nederlandsche Bank. Deze gaf als commentaar dat over markttransacties nooit mededelingen worden gedaan. Goudhandelaren waren vooral verrast door de omvang van de verkoop: ""Het was heel goed gedaan. Ik heb nooit geweten dat de markt zo'n hoeveelheid in zo'n korte tijd zonder drastische prijsverstoringen kan opnemen'', zegt een Londense goudhandelaar met respect.

Het was een reusachtige transactie. Vierhonderd ton is bijna een kwart van de jaarlijkse produktie van alle goudmijnen in de wereld. Het staat gelijk aan 32.000 "goudbroodjes' van 12,5 kilo en 26 centimeter lengte die, achter elkaar gelegd, een lint opleveren van 8,32 kilometer. Dat is bijna even lang als het symbool van nationale trots, de Oosterscheldedam.

De verkoop leverde De Nederlandsche Bank 7,5 miljard gulden op die in dollars, D-marken en Japanse yen zijn toegevoegd aan de deviezenreserve van de centrale bank. Aangezien deze deviezen rente opbrengen - in tegenstelling tot goud - neemt de winst van De Nederlandsche Bank toe en zal deze vanaf 1994 jaarlijks zo'n 400 miljoen gulden extra winst aan de staat afdragen. Recente pleidooien van Kamerleden om dit geld te bestemmen voor investeringen in de infrastructuur, zijn kansloos: minister Kok heeft met de centrale bank afgesproken dat dit bedrag, net zoals de gebruikelijke winst van de centrale bank, in de schatkist vloeit.

Vakblad

Op het beleid van De Nederlandsche Bank wordt zelden kritiek uitgeoefend. Toevallig verscheen vorig jaar, terwijl Duisenberg in het diepste geheim de goudverkoop voorbereidde, een opmerkelijk artikel in het vakblad voor economen, ESB, waarin prof. Casper van Ewijk en Bert Scholtens, beiden verbonden aan de vakgroep economie van de universiteit van Amsterdam, de winstgevendheid van De Nederlandsche Bank ter discussie stelden. ¹

Ze kwamen tot de conclusie dat de centrale bank relatief zeer ruim in zijn reserves aan goud en deviezen zit en een uiterst mager resultaat op zijn beleggingen maakt. Daardoor valt de jaarlijkse winstafdracht aan de schatkist veel lager uit dan mogelijk is.

In een tweede artikel - na de goudverkoop - beweerden de twee economen dat De Nederlandsche Bank te weinig goud had verkocht - en te lang met de verkoop had gewacht. Nu was het goud gemiddeld voor 18.800 per kilo van de hand gegaan, terwijl het tien jaar eerder het dubbele zou hebben opgebracht. In die tien jaar heeft het goud geen cent rendement opgeleverd en is de waarde ervan alleen maar gedaald. De toevoeging van de goudopbrengst aan de deviezenvoorraad was naar hun mening ""overbodig en dus ongewenst'', aangezien Nederland meer dan genoeg deviezen heeft. De opbrengst had volgens Van Ewijk en Scholtens beter ten goede kunnen komen aan de schatkist om de staatsschuld te verminderen. Dat levert de overheid financieel meer voordeel op dan de jaarlijkse extra rente-inkomsten.

Het verweer van De Nederlandsche Bank - zoals verwoord in antwoorden van de minister van financiën op Kamervragen - is dat een centrale bank geen beleggingsfonds is. De goud- en deviezenreserves zijn niet bedoeld om een maximaal rendement te behalen, maar om een deugdelijk wisselkoersbeleid te voeren en om het vertrouwen in de gulden zeker te stellen. Daardoor is het noodzakelijk om ook valuta aan te houden die een laag rendement opleveren. Ook het goud wordt niet aangehouden voor speculatie, maar het vormt een hoeksteen van het monetaire beleid van Nederland als grote goudhoudende natie. Bij de beslissing over het moment waarop een deel van het goud verkocht werd, speelde de hoogte van de goudprijs dan ook geen enkele rol.

De suggestie om de opbrengst in de staatskas te laten vloeien kon helemaal geen genade vinden: verandering van de samenstelling van de reserves (goud werd omgezet in dollars, D-marken en yen) is geen reden om bezit van de centrale bank in het gat van de staatsschuld te gieten. Als De Nederlandsche Bank aan die verleiding zou toegeven, zou sprake zijn van een monetaire doodzonde: financiering van het overheidstekort door de centrale bank. Dat gebeurt in Zuid-Amerika, of in Italië, maar niet in landen die prijs stellen op een harde munt. De deviezenreserves van het Frederiksplein zijn ten slotte heel wat anders dan het staatsaandeel in de PTT of de pensioenvoorzieningen van het ABP.

Koppeling

Goud speelt sinds mensenheugenis een rol in het geldwezen. Eind vorige eeuw gingen alle Europese landen en de Verenigde Staten over op de gouden standaard. De rechtstreekse koppeling van de hoeveelheid geld aan de goudvoorraden van de centrale banken brak de economieën van de industrielanden op in de economische depressie van de jaren dertig. Nederland hield vast aan het goud tot 1936 en liet, samen met Zwitserland en Frankrijk als laatste de gouden standaard los.

Na de Tweede Wereldoorloog regeerde de dollar. In het stelsel van Bretton Woods, dat in 1944 onder Amerikaans-Britse leiding werd opgezet, waren alle munten gekoppeld aan de dollar. Dat gaf stabiliteit - omdat de dollar na de oorlog het meest fantastische ding op aarde was - èn dynamiek want de Amerikanen pompten voortdurend nieuwe dollars in de wereldeconomie. Het stelsel van Bretton Woods maakte een kwart eeuw van ongeëvenaarde economische groei mogelijk. Het goud verdween niet volledig uit beeld. Ter verhoging van de geloofwaardigheid van het stelsel verklaarden de Verenigde Staten zich bereid om de omwisseling van dollars in goud te garanderen tegen een vaste prijs van 35 dollar voor een troy ounce (31,1 gram). De Amerikanen konden dat aanbod makkelijk doen, want ze waren in 1944 in het bezit van driekwart van de goudreserves in de wereld.

De Nederlandse regering in ballingschap had de goudreserves tijdens de oorlog grotendeels verbruikt. Met de wederopbouw stapelden de deviezen zich weer op en in de jaren vijftig en zestig maakte De Nederlandsche Bank gretig gebruik van de mogelijkheid om de dollars die met de export werden verdiend, bij de Amerikanen te ruilen voor goud. Met Frankrijk was Nederland die jaren de meest actieve goudhamster. De Franse president generaal Charles de Gaulle viel in een beroemd geworden persconferentie op 4 februari 1965 uit tegen de Amerikaanse dollaroverheersing en hield een loflied op het goud: ""Ah! Goud verandert niet van aard, het laat zich even gemakkelijk omvormen tot staven, broodjes of munten. Het heeft geen nationaliteit, het wordt eeuwig en universeel aangehouden als de onveranderlijke en betrouwbare waarde par excellence.'' Ook in Nederland was goud een geloofsartikel.

In de loop van de jaren zestig namen de Amerikaanse goudvoorraden in Fort Knox zienderogen af. Uiteindelijk besloot president Nixon in 1971 om de gegarandeerde inwisselbaarheid van dollars in goud op te schorten. Het "goudloket' ging dicht; het had de wereld ruim vijfentwintig jaar gekost om de Amerikaanse goudreserves uit te putten.

Sinds 1971 is de goudvoorraad van De Nederlandsche Bank nauwelijks veranderd. De spectaculaire stijging van de goudprijs tot 850 dollar per troy ounce begin 1980 leidde tot een geweldige boekwinst maar niemand werd daar wijzer van. Wel lieten politici in de jaren zeventig hun begerige ogen op de goudvoorraden vallen om daarmee werkgelegenheidsprojecten of andere leuke dingen voor de mensen te financieren. De toenmalige president van De Nederlandsche Bank, dr. Jelle Zijlstra, gruwde van dergelijke ideeën. Geen gram goud verdween uit de kluizen van De Nederlandsche Bank.

Zijlstra en zijn opvolger Duisenberg vreesden dat verkoop van goud de positie van de gulden zou aantasten. Bovendien was het overheidstekort in de jaren tachtig zo groot, dat verkoop in de financiële markten zou worden uitgelegd als poging tot monetaire financiering van het tekort. Goud hield het vertrouwen in de gulden in stand en had een aureool van onaantastbaarheid.

Nadelen

In de loop van 1991 kwamen de goudvoorraden terloops ter sprake in een gesprek tussen topambtenaren van Financiën en De Nederlandsche Bank tijdens de voorbereidingen van de onderhandelingen over de Economische en Monetaire Unie (EMU) - het plan voor een Europese centrale bank en een gemeenschappelijke munt dat werd beklonken in het verdrag van Maastricht. Het was duidelijk dat de omvang van de Nederlandse goudvoorraad ver boven het gemiddelde in de EG lag. Dat zou nadelen opleveren als over enkele jaren De Nederlandsche Bank een deel van zijn reserves moet overdragen aan de Europese Centrale Bank (ECB).

Als schatrijk goudland is Nederland in het nadeel, want het neemt voor een relatief klein bedrag in de ECB deel. Nederland dreigde in de monetaire unie met een enorme hoeveelheid goud te blijven zitten, waar het niets mee kan doen en waarop het geen rendement maakt. In de statuten van de ECB is namelijk vastgelegd dat de deelnemende centrale banken slechts met goedkeuring van de ECB mogen overgaan tot aan- of verkoop van goud en deviezen. Na ratificatie van het verdrag van Maastricht zal de handelingsvrijheid van De Nederlandsche Bank binnen enkele jaren drastisch ingeperkt worden. ""Nederland heeft dan geen enkel belang bij een grote hoeveelheid goud'', aldus een betrokkene.

In de ECB krijgt Nederland op grond van de omvang van de bevolking en de nationale economie een aandeel van 4,7 procent. Dat is minder dan het Nederlandse aandeel van 7,3 procent in de totale reserves (goud en deviezen) van alle centrale banken in de EG en veel minder dan het aandeel van 11,7 procent in de totale goudreserves. Zelfs na de verkoop van 400 ton behoudt Nederland een aandeel in de EG-goudreserves van 9,4 procent. De Nederlandsche Bank zou nòg 685 ton goud moeten verkopen om het goudaandeel in overeenstemming te brengen met de verdeelsleutel in de Europese Centrale Bank. Hoewel ter geruststelling van de goudmarkt de verzekering is gegeven dat de DNB niet tot verdere verkoop zal overgaan, verwachten financiële deskundigen dat de goudvoorraden van de centrale banken in de EG, ook die van Nederland, in het kader van de monetaire unie verder zullen worden aangepast. ""Vorig jaar hebben de Belgische en de Nederlandse centrale banken goud verkocht. Dat heeft goudverkopen door centrale banken respectabel gemaakt. Verdere verkopen hangen als een zwaard van Damocles boven de markt'', zegt een Londense goudhandelaar.

Begin 1992, nog in de roes van Maastricht en negen jaar na de traumatische devaluatie de gulden in 1983, was de positie van de gulden ijzersterk en was het financieringstekort van de overheid aanzienlijk geslonken. In politiek Den Haag bepleitte niemand meer om leuke dingen te doen met de goudvoorraad. De tijd was rijp om tot verkoop over te gaan.

Wereldje

Het was uitgesloten dat De Nederlandsche Bank zelf de markt op zou gaan, want dat zou onmiddellijk bekend zijn in het gesloten wereldje van de goudhandel. De enkele overgebleven Nederlandse partijen op de goudmarkt zijn naar eigen zeggen veel te klein. In Londen zijn vier grote goudhandelaren, Sharps Pixley, Samuel Montague, Mase Westpac en Rothschild. Volgens John Coley, woordvoerder van de London Bullion Market Association, lag het voor de hand dat De Nederlandsche Bank de Bank voor Internationale Betalingen als tussenpersoon inschakelde. Duisenberg is in Bazel zeer goed bekend omdat hij van 1988 tot 1990 president van het bestuur van de BIB is geweest.

Het voordeel van de BIB is dat deze als "centrale bank van de centrale banken' anonimiteit garandeert en rechtstreeks toegang geeft tot de centrale banken van de aangesloten landen in Oost- en West-Europa, alsmede Australië, Canada, Japan en Zuid-Afrika. Een Londense handelaar oppert dat De Nederlandsche Bank de centrale bank van een andere lidstaat van de BIB heeft gebruikt om het goud op de markt te brengen. Dat zou de centrale bank van Zuid-Afrika kunnen zijn geweest, waarvan goudhandelaren niet verrast opkijken als deze grote partijen aanbiedt. Zuid-Afrika is heel actief op de termijnmarkt voor goud. De BIB heeft daarbij als "sluis' gefungeerd.

""Een deel van de verkoop is buiten de markt omgegaan'', meent Philip Klapwijk van Goldfield Mining Services. Hij zegt tot deze conclusie te zijn gekomen omdat de goudprijs eind vorig jaar weliswaar iets daalde, maar veel grotere fluctuaties zou hebben vertoond als 400 ton zou zijn verkocht - ook als het aanbod gesplitst zou zijn in kleine partijen.

Via de BIB is waarschijnlijk ook het contact gelegd met de Volksbank van China als afnemer. Waarom uitgerekend de Volksrepubliek China? Chinezen houden van goud, zegt een deskundige en hij verwijst naar de enorme Taiwanese goudaankopen in 1987. Ten tweede beschikt de Volksrepubliek als gevolg van de spectaculaire economische groei over grote dollaroverschotten. En ten derde is van China bekend dat het bezig is zijn reserves op te bouwen om deze meer in overeenstemming te brengen met de omvang van het bruto nationale produkt.

In de Weekstaat van De Nederlandsche Bank, die iedere woensdag in de kranten gepubliceerd wordt, valt sinds februari de afname van de Nederlandse goudreserves te lezen. Vermoedelijk zal de stijging van de goudreserves van China nooit zichtbaar worden. In de statistieken die het Internationale Monetaire Fonds hierover bijhoudt, staat voor China al tien jaar dezelfde hoeveelheid goud genoteerd, toevalligerwijs ongeveer 400 ton. China-deskundigen weten evenwel dat de Volksbank over een tweede, geheime goudvoorraad beschikt, die als "niet-monetair goud' buiten de statistieken wordt gehouden. Als een deel van de goudreserves van De Nederlandsche Bank daaraan is toegevoegd, zoals men vermoedt, zal niemand dat officieel ooit te weten komen.