Nieuw West met Les enfants du paradis; Deskundigen in pijn en leven op weg naar de dood

Voorstelling: Les enfants du paradis van Rob de Graaf door Nieuw West. Regie en decor: Marien Jongewaard. Spel: Cas Enklaar, Nadine Carmijn, Lieve Claes, Truus Bronkhorst, Roy Peters, Steven van Reenen. Gezien: 25/3, Felix Meritis, Amsterdam. Nog te zien: aldaar t/m 7/4, elders t/m 29/5.

Voor de gelegenheid luidt het achtste gebod: "Ervaring is gif / En onwetendheid een zegen.' Aan het begin van Les Enfants du paradis zijn ene Cas en ene Marien, gespeeld door Cas Enklaar en Marien Jongewaard, "de nederige lezers van wat in oude stenen platen staat gegrift.' Toneelschrijver Rob de Graaf heeft de platen, vrij naar de bijbel, van strikte en enigszins dubieuze richtlijnen voorzien (de eerste regel luidt: "Schoonheid door tucht /tucht door kracht / kracht door hygiëne') - maar de achtste regel is waar het in zijn stuk om gaat. Onschuld en het verlies daarvan, jong zijn en ouder worden, op wrede wijze kind-af geraken en hop, uit het paradijs verdreven worden.

De Graaf en "zijn' gezelschap hebben het thema al eerder aangesneden, het duidelijkst in Pygmalion, enkele jaren geleden; daarin fleurden twee oudere mannen hun leven op met een jongen die dank zij hen niet alleen zijn jeugd maar ook zichzelf verloor. Les Enfants du paradis is minder grimmig, althans ik ben geneigd in mijn herinnering het zachte te laten overheersen. Al wordt de jongeren het vuur na aan de schenen gelegd en eindigt hun leven voortijdig en gewelddadig.

Want ook nu zijn er weer jongeren, twee jongens, twee meisjes - naast de oudere Cas en Marien. In een onbestemde, witte ruimte die nog het meest aan een ouderwetse inrichting doet denken, vertellen zij op last van een strenge doch rechtvaardige Cas wie zij zijn en waarom: midden op het toneel staat een ijzeren kuip en nu wil hij weten wat voor vlees daarin terechtkomt. Om te pesten of om het goede voorbeeld te geven, het valt moeilijk uit te maken, gaat hij er, tijdens zijn verhoren, zelf in liggen. Op zijn hoofd heeft hij een koksmuts, hij is de smaakmaker hier.

De verhalen zijn mooi en droef, en zo worden ze ook verteld, op slepende klanken van Arvo Pärt. Misbruikt, verlaten, ontgoocheld en beschadigd - dat zijn ze, deze kinderen. Ze worden sterk gespeeld, met veel persoonlijke kleur, door de uit Turkije afkomstige Nadine Carmijn, de Vlaamse Lieve Claes, Steven van Reenen en Roy Peters. De laatste huilt hartverscheurend, aan het slot van zijn treurige relaas, om "mensen die er niet meer zijn'. Cas, in de kuip, geeft geen krimp, Marien, aanwezig als regisseur van de voorstelling, vindt dat Roy "niet zo tevreden moet zijn met (zijn) eigen verdriet.' Jongewaards, als gewoonlijk met rauwe stem en spastisch vertrekkende mond uitgesproken tekst is overbodig: in de houding van de superieure Enklaar ligt al besloten dat Roys tranen niet meer dan zelfbeklag zijn.

Of dat waar is, doet er niet toe. Van belang is de noodzaak die uit het verwijt spreekt, de noodzaak zich, op weg naar de dood, te wapenen tegen een leven dat te boek staat als iets begerenswaardigs maar waar ieder mens ongevraagd mee opgescheept zit. "Wat is er zo heilig aan dat leven?' vraagt Steven aan de door danseres Truus Bronkhorst gespeelde aanstaande moeder. En even later scheldt de "expert in pijn en leven' haar uit: "Papkookster! Luiersnuffelaarster! Halvewoordjesbrabbelaarster!'

De dood, daar draait het op uit, dit zogenaamd paradijselijke leven. De dood of liever nog, in de woorden van Cas, "de bevroren jeugd' is de graal waarnaar De Graaf en Nieuw West op zoek zijn - origineel is op zijn minst dat het onbekende nu eens niet synoniem is aan het onwenselijke. Voor het overige ligt de kracht van Les enfants du paradis in de sfeer van de enscenering, de vertolking van de rollen en de tekst: die is licht en droevig, transparant en meeslepend. Het geheel sprankelt als het ware van melancholie: het is lang niet zeker dat de makers, inmiddels ver boven de dertig, hun naïveteit definitief verloren hebben. Zo is Enklaar, die rot, vilein maar begrijpend, onwrikbaar maar ook teder. Aan het slot maakt hij een dansje met een jonge dode die hij volgens de talentvolle dichter De Graaf meeneemt "naar mijn verre witte kamers / Van waaruit we samen naar de wereld zullen kijken.'