Marcus

's Nachts bij thuiskomst zie ik in het donkere fietsengangetje een van de omgevallen vuilniszakken in beweging komen en de vorm aannemen van een oude man. Geschrokken sta ik stil. Even nog hoop ik dat mijn ogen mij bedriegen maar de vorm wordt hoe langer hoe menselijker. Ammoniakstank beneemt mij bijkans de adem. De man trekt zijn knieën op om een pad voor mij vrij te maken.

“Neem mij niet kwalijk”, zegt hij en voegt daar iets onverstaanbaars aan toe.

“Wat zegt u?” vraag ik.

“In de olie. Dat is me nog nooit gebeurd.” Hij hoest. Om ons beider verlegenheid draaglijk te maken antwoord ik: “Dat kan iedereen overkomen. Maar kunt u niet beter naar het opvanghuis gaan?”

De man kijkt op. Het licht van de straatlantaarn beschijnt zijn gezicht. Langs zijn neus loopt een krom litteken waarin een zwarte hechtdraad vastgegroeid lijkt.

“Het opvanghuis”, herhaal ik. “Hier is het te koud. Ik wil u wel even brengen.”

“Ik heb het niet koud.” Hij gaat rechtop zitten. Door de verplaatsing van zijn lichaam komt behalve die pislucht nu ook de lucht van alcohol en de stank van te lang gebruikte handdoeken vrij. Hij tast achter zich met armen als planken en tilt een paar hoge schoenen in het licht. Met moeite buigt hij zich voorover en zet de schoenen als mutsen over zijn tenen. Dan probeert hij de schachten om de hielen te trekken maar zijn vingers zijn te stijf en te krachteloos. Het leer glipt telkens uit zijn handen. Toch help ik hem niet. Ik sta mijzelf te bezweren dat ik hem onaangeraakt bij het nachtasiel zal afleveren. Op de tast zoekt hij de uiteinden van de veters. Als de tweede schoen gestrikt is, blijkt de eerste weer los te zijn. Zo onhandig komt hij overeind dat ik mijn armen wel paraat mòet houden. Stel dat hij vooroverkwakt. Zijn benen staan onnatuurlijk uiteen. Hij wankelt. Ik grijp zijn mouw en raak daarbij per ongeluk zijn hand. En juist dàt had ik willen voorkomen. Die aanraking van huid tot huid maakt mij een beetje aan hem gelijk. Nu stink ik ook. En wat voor ziekten zou hij hebben? De hand is monsterlijk gezwollen, steenkoud en paars. Eindelijk slaagt de man erin het achterste been bij te trekken. Dan zie ik zijn broek openstaan en langs zijn heupen afhangen. Ik wijs hem daarop. Vergeefs probeert hij met die ijsklompen van handen onder zijn jas de riem te pakken te krijgen. De kans dat de broek nat is, is groot. Toch wil ik zo niet met hem over straat. Ik bied aan de riem voor hem te gespen: “Of vindt u dat vervelend?”

“Juist leuk”, zegt hij. Met vingers als pincetten volvoer ik de "leuke' handeling. Het overhemd steekt uit de openstaande rits. “U moet de rits even dichtdoen”, zeg ik onderkoeld en ik word meteen gehoorzaamd. Heeft mijn toon zijn vingers soepel gemaakt? “En houdt u nu goed vast aan de lantaarn, dan zet ik even mijn fiets weg.” Als ik terugkom staat hij nog steeds met zijn arm om de paal.

“Hoe ken ik jou noemen?” vraagt hij. “Ik heet Marcus.” Ik noem mijn naam en voel dat ik weer iets van mijzelf heb prijsgegeven. Nu hebben we al allebei een voornaam: net als gewone mensen. Ik krab op mijn kop en schrik. Heb ik misschien ook al luizen?

“Ik geef u een arm”, zeg ik. “Als u valt kan ik u niet optillen.” “Ken ik niet bij jou blijven?” vraagt hij. Veel te omslachtig begin ik uit te leggen dat mijn huis al vol is. De oude lacht. Hij neemt mij mijn weigering niet kwalijk. Onder een lantaarn houdt hij halt, mompelt twee keer mijn naam, draait zich opzij en begint mij op zijn gemak te bekijken. De zwarte lijn is beslist een hechtdraad.

“We moeten wel doorlopen”, zeg ik. “Want ik moet er morgen om 7 uur uit. Op de smoes dat hij beroofd is, ga ik niet in. Trouwens, ik heb geen geld op zak.

“Is me nooit eerder gebeurd”, herhaalt Marcus. En dan: “Daarnet was ik koud maar nu jij naast me loopt, word ik al warm.” Ondanks mijzelf moet ik lachen.

Plotseling herkent hij de buurt en wil alleen verder. “Een kus”, zegt hij en wijst op zijn ongehavende wang. “Nee”, zeg ik beslist. “Maar ik vind je wel aardig.” Nu heb ik hem getutoyeerd.

“Een kus, hier.” Weer moet ik lachen: zo vies en nog zoveel kapsones! Hij buigt zijn hoofd naar mij toe. Ik doe een stap achteruit en schud van nee.

Terwijl hij over de donkere gracht verdwijnt kijk ik hem na om te zien of hij niet wankelt. Hij gaat kaarsrecht.