Ineenstorting van het militaire apparaat lijkt compleet; Het Westen hoeft voorlopig niet bang te zijn voor Rusland

Als het Westen nu geen grootscheepse hulp aan Rusland geeft, zal het binnenkort veel meer aan zijn defensie moeten uitgeven. Als het Jeltsin en de hervormingsgezinden in Rusland niet steunt, loopt het gerede kans dat de nationalisten met steun van het leger aan de macht komen, en dat gaat het Westen veel meer kosten dan de steun die het nu kan geven. “Het gaat om niets minder dan de mogelijkheid van een hernieuwde nucleaire dreiging, hogere defensiebegrotingen, verspreiding van de instabiliteit en een vernietigende terugslag voor de wereldwijde beweging naar meer democratie”, zo zei de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken, Warren Christopher, in een toespraak dezer dagen in Chicago.

De redenering ligt door haar eenvoud voor de hand, maar is ze ook juist?

In de Verenigde Staten gaan stemmen op die nu al een einde willen maken aan de ingrijpende bezuinigingen op het defensie-apparaat, omdat de situatie in Rusland te onzeker begint te worden. Zo stelt senator Robert Dole pogingen in het werk de voorgenomen besnoeiingen te stoppen. Terwijl de rest van West-Europa nog het vredesdividend binnenhaalt, is Zweden al weer begonnen met vergroting van de uitgaven voor defensie, waarbij de onzekere situatie in Rusland als belangrijkste motief wordt genoemd.

Het valt echter nauwelijks waar te maken dat de Russische strijdkrachten momenteel nog een gevaar vormen voor de buitenwereld. De ineenstorting van het militaire apparaat lijkt vrijwel compleet. Het leger van de voormalige Sovjet-Unie telde ongeveer 3,4 miljoen manschappen, waarvan het Russische aandeel werd geraamd op ruim twee miljoen. Aanvankelijk poogde president Jeltsin de voormalige Sovjet-strijdkrachten nog om te vormen tot een gezamenlijk leger van het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS), maar die poging mislukte. Op 8 mei 1992 werd besloten tot de vorming van een zelfstandig Russisch leger, nadat andere GOS-republieken als de Oekraïne, Azerbajdzjan (inmiddels geen lid meer van het GOS) en Moldavië waren overgegaan tot het opzetten van eigen legers. Tegen het einde van het volgend jaar zou de omvang van de zelfstandige Russische strijdkrachten moeten zijn teruggebracht tot zo'n 1,2 miljoen man.

De nog voortgaande desintegratie van de strijdkrachten is in de hand gewerkt door de honderdduizenden militairen die de afgelopen jaren terugkeerden uit de landen van het voormalige Warschaupact. Voor hen waren geen huizen, waardoor ze vaak in tenten zijn ondergebracht. Ze zijn vaak gescheiden van hun materieel, zodat er van oefeningen niets meer komt. Het moreel van de troepen is laag, de inkomens niet genoeg om van rond te komen. In een paar jaar tijd vervielen de militairen van een voorkeurspositie naar het niveau van minimumlijders. Het feit dat Rusland de terugtrekking van zijn militairen uit de Baltische landen temporiseert, heeft evenveel te maken met een behoefte om in deze landen nog een soort bezettingsmacht te houden, als met het onvermogen om alle terugkerenden te herbergen. Onlangs is de commandant van de Russische vloot in de Stille Oceaan ontslagen omdat vier recruten aan ziekte en ondervoeding waren overleden en enkele honderden andere soldaten in ziekenhuizen moesten worden opgenomen.

Steeds meer jongeren zien kans om de militaire dienst te ontlopen. In legerkringen wordt er dan ook op aangedrongen vrijstelling van dienstplicht minder makkelijk te geven dan nu het geval is. En de desintegratie is nog niet ten einde, want ook het Russische leger zelf bestaat uit tal van "nationaliteiten'. Op het regionale vlak zijn sommige commandanten in de periferie bezig zich te ontwikkelen tot "warlords' die hun eigen belangen dienen.

Deskundigen van allerlei snit zijn ervan overtuigd dat door dit alles het Russische leger voorlopig geen bedreiging meer vormt voor de buitenwereld. Een deze week gepubliceerd rapport van de Zweedse inlichtingendienst komt tot de conclusie dat de Russische strijdkrachten zelfs niet meer in staat geacht moeten worden tot een invasie in een klein land als Zweden. Marineschepen liggen bij gebrek aan onderhoud te roesten in de havens, het aantal ongelukken met militaire vliegtuigen neemt toe door achterstallig onderhoud en legeroefeningen worden bijna niet meer gehouden bij gebrek aan brandstof, aldus het rapport. Andrew Duncan van het Institute for Strategic Studies in Londen verklaarde deze week tegenover het ANP: “Een conservatieve machtsovername zal geen consequenties hebben voor de veiligheid van West-Europa. Wie ook aan de macht komt, hij komt er vroeg of laat achter dat Rusland er economisch zo slecht voor staat dat hij datgene moet doen wat hij momenteel Jeltsin verwijt: hervormen.”

De legerkrant Krasnaja Zvezda schreef vorig jaar september al dat de uitgaven voor vliegtuigen, tactische raketten, luchtafweergeschut en dergelijke met tachtig procent waren teruggelopen, terwijl voor veldartillerie en tanks 97 procent minder werd uitgegeven. “Voor het eerst in de naoorlogse periode (preciezer gezegd sinds de tijd van Peter de Grote) is er geen enkel marineschip meer in aanbouw op de scheepswerven”, aldus de krant.

Het mankeert het Russische leger niet alleen aan moreel en materieel, maar ook aan duidelijke doelen. Onduidelijk is tegen wie het apparaat Rusland eigenlijk moet verdedigen. De kracht van een leger zit in de doelgerichtheid en doelmatigheid van de organisatie. Sinds de Tweede Wereldoorlog - wellicht ook al daarvoor - waren de Russische militairen getraind op een confrontatie met het kapitalistische Westen, maar dat perspectief is verdwenen. Andere potentiële vijanden zijn daarvoor in de plaats gekomen, maar daarop is men eigenlijk nog niet ingesteld.

Zijn de risico's op het conventionele terrein te verwaarlozen, op nucleair gebied zijn ze gecompliceerder. In het kader van de twee START-akkoorden, ter beperking van de omvang van de strategische kernwapens, is afgesproken dat de omvang van de nucleaire bewapening tot eenderde wordt teruggebracht. De uitvoering van deze akkoorden is echter problematisch aan het worden, aangezien het begin dit jaar getekende tweede START-akkoord nog altijd niet is geratificeerd door het Russische parlement, terwijl het parlement van de Oekraïne nog altijd zijn goedkeuring moet hechten aan het eerst START-akkoord, in het kader waarvan dit land de kernwapens op zijn grondgebied helemaal kwijtraakt. Het officiële standpunt, dat telkens door president Kravtsjoek wordt herhaald, is dat het land inderdaad kernwapenvrij zal worden. Zowel in het parlement als in de legertop worden de stemmen luider van hen die de wapens voorlopig willen aanhouden - zo niet als tegenwicht tegen de nucleaire macht van Rusland, dan toch wel als ruilmiddel om meer hulp van het Westen te bemachtigen. Daardoor wordt het streven van Rusland om de 27.000 kernkoppen op zijn grondgebied bijeen te brengen aanzienlijk bemoeilijkt. In een deze week bekend geworden Amerikaans rapport wordt verder gewezen op het risico dat de Oekraïense regering, in geval van een verdere escalatie in Moskou en de dreiging van een machtsovername door de nationalisten, eenzijdig overgaat tot het afsnijden van de elektronische verbinding tussen Moskou en de 176 strategische raketten op Oekraïens grondgebied. Als dat zou gebeuren, dan zou Rusland zich wel eens bedreigd kunnen voelen door die wapensystemen, aldus een van de samenstellers van het rapport. Geen van de betrokken landen heeft er belang bij dat de kernwapens daadwerkelijk zouden worden gebruikt, niet tegen elkaar en nog minder tegen het Westen, maar de onzekere situatie in Rusland legt wel een hypotheek op de gesloten akkoorden.

Lijkt er momenteel weinig tot geen militaire bedreiging uit te gaan van Rusland tegen het Westen, dat wil niet zeggen dat een wisseling van de wacht geen ingrijpende verandering zou kunnen brengen in de politieke atmosfeer. De Russische minister van buitenlandse zaken, Andrej Kozyrev, lichtte wat dat betreft een tipje van de sluier op tijdens de conferentie van de CVSE-ministers op 14 januari in Stockholm. Op een ludieke manier maakte hij daar duidelijk dat het buitenlandse beleid van Moskou er wel eens heel anders uit zou kunnen zien als de nationalisten aan de macht zouden komen: steun voor de Serviërs, scherper optreden tegenover de Baltische landen en een zich afwenden van West-Europa in het algemeen. De eindeloze discussie in de Veiligheidsraad over de resolutie met betrekking tot het afdwingen van het vliegverbod boven Bosnië laat wel zien hoe gevoelig dit soort zaken ligt, zolang de machtsstrijd in Moskou niet gestreden is. Maar ook na een eventuele machtswisseling zal het nog lang duren voordat Rusland weer een echte militaire vuist kan maken tegen het Westen.