In Angola is de corruptie tot kunst verheven; Permanente verlamming

In Angola begon het bloedvergieten al voor de onafhankelijkheid, in Mozambique een paar jaar daarna. Terwijl de koloniale mogendheid Portugal na de Anjerrevolutie van 1974 een nieuw bestaan begon en de blik op Europa richtte, werden de piepjonge staten beide voor meer dan een decennium ondergedompeld in een vernietigende burgeroorlog tussen marxistische regimes en verzetsorganisaties. Vooral de Mozambikaanse guerrilla-groep Renamo onderscheidde zich door onvoorstelbare wreedheden. Angola ontworstelde zich twee jaar geleden het eerst aan de spiraal van geweld, maar gleed daar vorige herfst na een mislukt vredesproces weer even makkelijk in terug. Mozambique, waar de wapens pas sinds vorige herfst zwijgen, hoopt nu de Angolese fouten te vermijden en de vrede langer te bewaren. Heel zuidelijk Afrika kijkt vol spanning toe. Twee reportages.

Het monument op het grote plein in het nieuwere, hoog gelegen deel van Luanda ziet er, zoals vrijwel alle bouwwerken in de Angolese hoofdstad, verfomfaaid uit. Op een grote sokkel, die nog vol zit met de resten van half verteerde affiches uit de verkiezingstijd van vorige herfst, staat een stoffige pantserwagen, met daarbovenop de houten beeltenis van twee grote witte duiven als symbool van de vrede. Van het wat stuntelige gedenkteken gaat een onmiskenbare spanning uit. De pantserwagen is namelijk schuin op de sokkel gemonteerd en lijkt ieder moment naar beneden te storten, de houten duiven met zich meetrekkend naar de ondergang.

Het monument weerspiegelt, waarschijnlijk onbedoeld, de wankele toestand waarin Angola zich bevindt. Na een intermezzo van anderhalf jaar vrede is het land opnieuw gevangen in de burgeroorlog, die sinds het midden van de jaren zeventig al ruim 350.000 mensenlevens heeft gekost. De afgelopen paar maanden hebben opnieuw vele duizenden mensen het leven verloren. De Verenigde Naties stellen nog vertwijfelde pogingen in het werk de vrede te redden, maar - zoals zo vaak bij dit soort conflicten - de strijd heeft een eigen dynamiek gekregen. Naarmate er meer bloed vloeit, groeit de wederzijdse haat en daalt de bereidheid tot het sluiten van een compromis.

Luanda zelf heeft tot dusverre, afgezien van enige schermutselingen in de herfst, slechts zijdelings te lijden gehad onder de oorlog. In januari saboteerde de oppositie-beweging UNITA van Jonas Savimbi de drinkwatervoorziening, waardoor een groot deel van de circa twee miljoen inwoners enige tijd zonder water raakte. Af en toe ook gieren er vliegtuigen van de luchtmacht over de stad, op de terugweg van missies tegen UNITA-doelen.

En dan zijn er natuurlijk de vluchtelingen, die bij duizenden tegelijk naar het relatief veilige Luanda zijn getrokken. Vlak ten noorden van de stad, even voorbij de kleurige markt van Roque Santeiro, bivakkeren op een zanderige vlakte in de brandende tropenzon duizenden vluchtelingen. In november moesten ze ijlings uit Caxito, 60 kilometer van Luanda, vluchten voor UNITA-strijders, die niets en niemand spaarden in het door de regering gecontroleerde gebied, dat rijk is aan bananeplantages.

Onder de vluchtelingen bevinden zich Joao Baltasar en zijn familie. ""We slapen op het zand en ons dieet bestaat uitsluitend uit rijst'', zegt hij. Veel verzwakte vluchtelingen vallen ten prooi aan ziektes. Zo heeft ook Joao twee maanden geleden een zoontje van vier jaar door een infectie-ziekte verloren. De schoonvader van Joao, de 73-jarige Bambuke, vertelt met een ondertoon van verwijt jegens de Westerse bezoeker dat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog nog door de Portugezen is overgebracht naar Timor om daar te vechten tegen de Japanners. ""Nu sta ik hier weer op mijn oude dag en kan niet naar huis'', zegt hij en krabt eens aan zijn pet. De regering heeft intussen Caxito heroverd, maar de vraag is voor hoe lang.

Via de lucht

In totaal is ongeveer één miljoen Angolezen, een tiende van de bevolking, door de jongste gevechten op drift geraakt. Velen van hen hebben nauwelijks meer te eten, vooral in de steden die door UNITA van de buitenwereld zijn geïsoleerd. ""Als we al hulp kunnen verlenen, dan is het via de lucht. Maar met vliegtuigen kunnen slechts kleine hoeveelheden tegelijk worden vervoerd en bovendien is het een uiterst kostbare vorm van hulpverlening'', zegt de Fransman Philippe Borel, directeur van het kantoor van het Wereldvoedselprogramma van de VN (WFP) in Luanda. Het WFP kan voedsel leveren aan 100.000 mensen, in werkelijkheid is de behoefte tien keer zo groot.

Het is een gotspe dat een vruchtbaar land als Angola voedselhulp nodig heeft. De jarenlange oorlog heeft de agrarische produktie drastisch verminderd. Onder de Portugese overheersing was Angola bijvoorbeeld nog de op een na grootste koffieproducent ter wereld. In de afgelopen twintig jaar is de koffie-opbrengst echter tot een vijftigste gedaald van wat die was.

Handel is er sinds het uitbreken van de jongste vijandelijkheden nauwelijks meer omdat het reizen in een land in burgeroorlog een veel te hachelijke onderneming is. Bovendien verkeren de wegen en bruggen in miserabele staat. Bewoners van Luanda herinneren zich met weemoed de verse groente die er uit de omgeving van de in de bergen gelegen stad Huambo werd aangevoerd. Veel boeren kunnen ook dit jaar weer niet zaaien - de gevechten laten dat niet toe, of er liggen mijnen op hun land.

De oorlog houdt Angola in een staat van permanente verlamming. In Luanda is die verlamming, nog versterkt door de erfenis van jaren communistisch bestuur, tastbaar aanwezig. Gebouwen verkeren in meer of mindere staat van ontbinding. Ook grote kantoorkolossen die er op afstand nog aanvaardbaar uitzien, blijken van binnen over trappen zonder leuningen te beschikken en deuren die half uit de sponningen hangen, terwijl er in de gangen een penetrante rioolstank hangt. Voor de huizen stapelt het vuilnis zich op en de toegang tot sommige gebouwen wordt belemmerd door diepe plassen die de belofte van veel besmettelijke ziektes in zich bergen.

Op ministeries hangt een sfeer van extreme lethargie. Op het zogeheten Ministerie van Sociale Communicatie bijvoorbeeld zitten in vertrek na vertrek mannen roerloos voor zich uitstarend achter hun bureau met aan hun zijde een secretaresse, die al even braaf maar passief achter een oude schrijfmachine zit. Op de gangen verblijven op oude canapés reeksen bezoekers. Het doel van hun bezoek is in nevelen gehuld, dat ze geen haast hebben en zich op hun gemak voelen in de luchtgekoelde ruimtes van het ministerie is des te duidelijker.

Het enige waarmee de regering zich nog serieus bezighoudt en waar zij geld aan spendeert, is de oorlog, de rest van het ook onder normale omstandigheden al weinig dynamische Angolese ambtelijke apparaat is vrijwel geheel tot staan gekomen. De plannen om de economie te hervormen en de staatsinvloed daarop terug te dringen, zijn op een waakvlammetje gezet. Wel zijn er de laatste paar jaar meer particuliere winkels ontstaan, die vroeger niet waren toegestaan.

Privileges

In schril contrast met de matheid op de ministeries staat de ondernemingslust van Angolezen die kunnen bogen op goede relaties met hoge functionarissen van de voornaamste regeringspartij, de MPLA. Energiek hebben die de afgelopen maanden gebruik gemaakt van fabelachtige privileges. Zo kregen zij toestemming om dollars te kopen van de staatsbank tegen een zeer gunstige officiële koers. Op de zwarte markt verkochten ze die voor een veel hogere koers. Met de nieuwe, al veel grotere hoeveelheid kwanza's, de Angolese munt, klopten ze weer aan bij de staatsbank om ditmaal een grotere som dollars te kopen. In een oogwenk werden er zo, op kosten van de toch al bijna lege Angolese staatskas, fortuinen verdiend. De lieden die hiervan profiteerden rijden in flonkerende Mercedessen of scheuren met kostbare speedboten rond in de baai voor Luanda. ""De corruptie is hier tot kunst verheven'', spot een Westerse waarnemer. Anderen zeggen dat vooral het afgelopen jaar, met de verkiezingen voor de boeg, de corruptie sterk is toegenomen. Met hun corruptie graaiden functionarissen in korte tijd genoeg bij elkaar om van een veilige toekomst verzekerd te zijn'', meent een kritische Angolees, die anoniem wil blijven.

De regering probeerde hieraan, op aandrang van niet-corrupte leden van het kabinet, twee maanden geleden een einde te maken door een meer realistische koers voor de kwanza in te voeren. Een tweede aanpassing van de koers, die het ministerie van financiën al op stapel had staan, werd echter vorige maand op het laatste nippertje afgeblazen. ""We konden bij nader inzien niet te veel tegelijk doen'', zo verdedigt onderminister van buitenlandse zaken Jorge Chicoti deze stap. ""We begrepen dat we rekening moesten houden met de sterke prijsverhogingen die een lagere koers van de kwanza voor de arme meerderheid van de bevolking zou betekenen.'' Boze tongen in Luanda meenden echter dat het uitstel eerder was te wijten aan pressie van de kliek profiteurs.

Het tragische voor Angola is dat het land potentieel rijk is. Niet alleen heeft het grote oliereserves, vooral in de enclave Cabinda, ook beschikt het over omvangrijke diamantvoorraden. In totaal zitten er niet minder dan dertig verschillende mineralen in de grond, die het land veel geld kunnen opleveren indien ze doelmatig zouden worden geëxploiteerd. Ook de agrarische mogelijkheden van het land blijven grotendeels onbenut.

Diep gat

Nog afgezien van de burgeroorlog staan de Angolezen voor het probleem dat ze een wanhopig tekort hebben aan geschoolde mensen. ""Op elk ministerie heb je wel een paar competente mensen rondlopen'', zegt een Westerse diplomaat in Luanda, ""maar het zijn er te weinig en ze zitten vaak op de verkeerde plek.'' Hoog opgeleide Angolezen zoeken liever werk in het buitenland.

Het tekort aan opgeleide Angolezen is historisch verklaarbaar. De hardvochtige Portugese koloniale heersers hielden de touwtjes altijd zoveel mogelijk in eigen hand. Het onderwijs voor Angolezen werd bewust niet gestimuleerd. Zelfs betrekkelijk eenvoudige beroepen werden grotendeels door Portugezen uitgeoefend. Het aantal Portugezen in Angola was voor koloniale begrippen hoog. Niet lang voor de onafhankelijkheid in 1975 zaten er nog 450.000 Portugezen in Angola, op een totale bevolking van ruim zes miljoen Angolezen - de bevolking van Angola is mede zo bescheiden omdat er eeuwenlang slaven zijn weggehaald, in totaal zo'n vier miljoen. Ter vergelijking: in Nederlands-Indië hebben nooit meer dan 150.000 Nederlanders gezeten, terwijl de toenmalige bevolking van de archipel zeker tien keer zo groot was als die van Angola.

Halverwege de jaren zeventig vertrok het overgrote deel van de Portugezen, een diep gat achter zich latend. Natuurlijk doken er wel vervangers op in de persoon van Russische en Cubaanse adviseurs, maar ook die konden het tekort aan geschoolde Angolezen maar gedeeltelijk compenseren. Nog steeds wreekt zich de onervarenheid van Angolese bestuurders en er zit niet veel schot in. Het niveau op de Angolese scholen en universiteiten is bedroevend.

De langdurige burgeroorlog gaf de talrijke incompetente bestuurders een welkom alibi voor hun povere verrichtingen. De oorlog eiste zo in dubbel opzicht zijn tol. Het vreedzame intermezzo dat volgde na de akkoorden van 1991 in het Portugese Bicesse is te kort gebleken om nieuwe krachten echt wortel te laten schieten. UNITA-leider Jonas Savimbi weigerde zijn nederlaag bij de verkiezingen te erkennen en kon zonder veel moeite het kasplantje van de Angolese democratie en een vreedzame toekomst de dood injagen.

Nu is het land teruggevallen in een ordinaire en harde machtsstrijd. Hoewel Savimbi's gefrustreerde ambities een grote rol speelden bij het weer oplaaien van de burgeroorlog zijn er ook diepere oorzaken. De tegenstellingen tussen de stammen bijvoorbeeld zijn groot en vormen een belangrijk deel van de identiteit van mensen. ""Een eenvoudige arbeider kan zich hier superieur voelen aan een directeur, omdat die van een "mindere' stam is'', zegt een Nederlander die al jaren in Angola werkt.

Ontwikkelde Angolezen reageren korzelig op het gepraat over stammentegenstellingen. ""Die zijn vooral aangewakkerd door de politici'', meent Mario Pizarro, een voormalige vice-gouverneur van de Angolese centrale bank. Feit is echter dat de politici veel weerklank vinden, wanneer ze het over de etnische boeg gooien.

Ovimbundo's

De tegenstellingen dateren niet van vandaag of gisteren. Vanouds hebben de donkere Ovimbundo's, van wie Savimbi er een is, een dominante positie ingenomen. Zij wisten zelf goeddeels de dans van de slavernij te ontspringen door samen te werken met Westerse handelaars en hen de leden van andere, minder machtige stammen uit het binnenland als slaven te leveren. Uiteraard werd hun dit niet in dank afgenomen. De Ovimbundo's, die sterk zijn vertegenwoordigd in UNITA, beschouwen zich als de "echte' Angolezen.

In de voornaamste regeringspartij, de MPLA, heerst een geheel andere cultuur. Daarin geven vooral mulatten, nakomelingen uit gemengde huwelijken tussen Portugezen en zwarten, de toon aan. Ze zijn sterk in de steden en in het bijzonder in Luanda en zijn meer dan de Ovimbundo's op het buitenland gericht. Op Portugal bijvoorbeeld maar lange tijd ook op Moskou waaraan ze veel van hun gedachtengoed ontleenden. De MPLA is niet uitsluitend een partij van mulatten, anders zou ze de verkiezingen nooit hebben kunnen winnen. Ook veel kleinere stammen steunen - mede uit afkeer van de Ovimbundo's - de partij.

Het wederzijdse wantrouwen tussen de twee belangrijkste stromingen in het land - MPLA en UNITA - is zo groot dat een produktieve samenwerking tussen beide nauwelijks voorstelbaar is. Ook de bevolking is hiervan doordrongen en dit resulteert in een gevoel van moedeloosheid. Nergens blijkt deze schrijnender dan bij Angolezen die door de oorlog invalide zijn geworden. Westerse hulpverleners vertellen dat sommigen van hen eenvoudigweg weigeren zich een kunstbeen te laten aanmeten en het aanbod gratis een opleiding te volgen afslaan. ""Daar hebben we in de praktijk niets aan'', luidt hun reactie. Liever gaan ze de straat op om daar zonder been en zonder opleiding te bedelen.