"Het wapengekletter klinkt mij als een symfonie'; Max de Jong wil samenwerking van omroepen in kantine laten beginnen

Zijn "klus' lijkt er op te zitten. Drie jaar geleden werd Max de Jong gevraagd oms als voorzitter van de NOS het publieke omroepbestel uit het moeras te trekken waarin het dreigde te verdwijnen. Commerciële televisie veroverde de markt, in Hilversum raakte het geld op, de omroepen beconcurreerden alleen elkaar. Er moest iets veranderen. Nu liggen er vastomlijnde plannen en is ook financieel orde op zaken gesteld.

HILVERSUM, 26 MAART. “Zie je wel dat het hier knalt”, klinkt het kinderlijk vergenoegd bij het raam. Buiten schieten de vuurpijlen omhoog en exploderen de voetzoekers om te vieren dat bij de bouw van een nieuwe studio het hoogste punt is bereikt. Max de Jong geniet er eventjes intens van en keert dan terug naar de tafel. “Het gaat om het tempo waarin hier in Hilversum wordt veranderd. Daarvan zal het afhangen welke plaats de publieke omroepen voor zichzelf verwerven temidden van commerciele zenders, abonneetelevisie en wat er nog meer komt. Nu hebben ze vijftig procent van de markt in handen. Maar hoe gaat zich dat ontwikkelen? Blijft het vijftig procent? Wordt het minder? En zo ja, in welk tempo en tot hoever? De publieke omroepen moeten snel aan de gang gaan.”

Waarmee moeten ze snel aan de gang gaan?

“Met een flexibele, dynamische structuur en een wezenlijk andere manier van werken, waarbij de omroepen als netten naar voren moeten treden, niet langer uitsluitend als individuele organisaties. Er moeten net-identiteiten komen en de omroepen moeten dat op eigen wijze vorm en inhoud geven.”

Maar wat moeten de omroepen met hun eigen identiteit doen, die uiteindelijk toch de basis vormt van het hele publieke bestel?

“De omroepen moeten combinaties zoeken tussen externe identiteit en interne identiteit. Een simpele illustratie: hoe los je het vraagstuk op jezelf te presenteren naar buiten? Onder je eigen logo, of als groep met een gezamenlijk logo?

“In de nieuwe opzet blijft er meer dan voldoende ruimte om jezelf te profileren. Ooit was ik geabonneerd op de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Ik zegde hem op en abonneerde me op het Algemeen Handelsblad. Die kreeg ik amper of de krant fuseerde met de NRC, die ik zo toch weer in de bus kreeg. Beide kranten waren verliesgevend. Tot op de dag van vandaag kunnen fijnproevers zowel de NRC als het Algemeen Handelsblad in NRC Handelsblad terugvinden, terwijl er tegelijkertijd een hele nieuwe krant is gegroeid.

“Bij de omroepen komen processen op gang waarvan we nu niet weten hoe ze zullen eindigen. We moeten in Hilversum in elk geval naar schaalvergroting. Een omroep met één tot twee avonden televisie per week kan niet op tegen een goed georganiseerde commerciële omroep die 24 uur per dag en zeven dagen per week uitzendt. Dus moeten we naar samenwerking op netten, maar niet alleen om economische achtergronden, vooral ook programmatisch redenen. Er vindt op sommige gebieden een enorme versnippering van talent plaats. Zo heeft iedere omroep een eigen actualiteitenrubriek. Daar kun je intelligenter mee omgaan en ze per net tot samenspel brengen, zoals VARA en NOS al hebben gedaan op Nederland 3 met het programma Nova.”

Maar juist in dat type programma kunnen de omroepen met hun identiteit naar buiten komen. Daar zullen ze nog aan vast willen houden?

“Journalistiek in de jaren negentig laat zich toch niet in de eerste plaats leiden door bloedgroepen? We leven nu qua sociologische structuur in een geheel andere samenleving dan twintig jaar geleden. Je moet nu streven naar de hoogst mogelijke professionaliteit. Kijk naar de affaire met bisschop Bär. Daar had Ad Langebent van de KRO zeven dagen per week over moeten kunnen praten. Hij is op dat gebied een van de meest gekwalificeerde mensen.”

Misschien maken de bisschoppen wel mede uit wat de KRO moet uitzenden en krijgt voorzitter Braks vermaningen zich niet te laten opeten door de gereformeerden?

“Daar is Braks zelf bij. Je hoeft jezelf helemaal niet te laten opeten in een samenwerkingsverband. In moderne relaties tussen man en vrouw worden identiteiten toch ook niet opgegeven. Je kunt een gemeenschappelijk programma maken zonder dat je je identiteit hoeft in te leveren.

“Belangrijk in het veranderingsproces is dat de omroepen die moeten gaan samenwerken bij elkaar gaan zitten in één gebouw. Logischerwijs komt huisvesting pas aan het eind van het verhaal op de agenda, wanneer je weet wat je allemaal samen wilt gaan doen. Maar hier in Hilversum gelden de normale bedrijfswetten nu even niet. De bloedgroepen vertrouwen elkaar om historische redenen niet, hebben de neiging tot afstand houden. Begin daarom met één gebouw voor iedereen met een gemeenschappelijke kantine en gemeenschappelijke hulpdiensten, dan leer je elkaars sferen beter kennen, dan spreek je met elkaar en kom je makkelijker bij elkaar.”

Minister d'Ancona, de omroepvoorzitters en ook u zelf hebben het regelmatig over "kwaliteit' die moet toenemen. Wat wordt daaronder eigenlijk verstaan? Geen showprogramma's meer of spelletjes?

“De publieke omroep moet zich onderscheiden van de commerciële door kwaliteit in die zin, dat de hoogst denkbare norm op de verschillende vakgebieden moet worden gehaald. Showprogramma's, spelletjes; ze horen er allemaal bij, want de publieke omroep is er voor het hele volk. Iedereen betaalt tenslotte kijk- en luistergeld en dus heeft iedereen recht op het programma dat hem of haar interesseert. De publieke omroep moet zich van de commerciële onderscheiden door het beste te maken, met meer geld en betere mensen. Maar de verschillende typen programma's moeten wel verstandig gedoseerd worden. In de nieuwe structuur zal de dagelijkse leiding van het bestel gaan uitmaken dat niet op alle netten tegelijkertijd een showprogramma zal worden uitgezonden. Steeds zal er op één net ruimte zijn voor een programma waarbij de kijkdichtheid er niet of minder toe doet. Van dat soort programma's hebben we er een heleboel.”

Zijn er bij de omroepen wel voldoende mensen die goed zijn toegerust voor zo'n ingrijpend veranderingsproces?

“Daar ligt zeker een probleem. We zijn het nu eens over een netsgewijze aanpak, maar de uitvoering daarvan ligt bij de organisaties. Daar kan ik weinig aan doen. Nu pas begint het echte werk en ongetwijfeld zullen er fouten worden gemaakt. Ik lees in de kranten nu berichten over de ondernemingsraad van de AVRO die vraagtekens zet bij de samenwerking. Ik weet niet of dit incident echt belangrijk is, maar het wapengekletter klinkt me als een symfonie in de oren. Er staan bij de komende samenwerkingen honderden persoonlijke posities op het spel want Hilversum kent veel zelfde functies.”

Kunnen de omroepen wel zonder sponsoring? Het kabinet zette daar onlang een dikke streep door. Geschat wordt dat het de omroepen honderd miljoen gulden zal schelen.

“Hilversum schat het bedrag een stuk lager, maar het gaat nog altijd om vele tientallen miljoenen. Mijn standpunt is onveranderd: sponsoring hoort er niet bij. Behalve bij sport, want dat is niet meer te betalen zonder sponsoring en bij cultuur, want dat willen we toch ook blijven uitzenden. Het lijkt me overigens logisch dat in ruil voor dat sponsorverbod de zendtijd van de STER ietsje wordt uitgebreid.”

Waarom wordt er volgens u zoveel geschreven over wat er allemaal in Hilversum gebeurt? De kleinste oprisping wordt een bericht.

“De gemiddelde Nederlander kijkt drie uur per dag naar de televisie. Dit betekent dat miljoenen de televisie kritisch volgen. Het is dan logisch dat kranten en tijdschriften daar veel aandacht aan besteden. Interessant is ook natuurlijk dat Hilversum uit een grote verzameling mensen en organisaties bestaat die tot voor kort heftig met elkaar concurreerden. Verder heb ik het idee dat journalisten met een zekere afgunst het medium televisie bezien, omdat de impact ervan zoveel groter kan zijn dan die van kranten en tijdschriften. Televisie, zo heb ik ervaren, is een zeer indringend medium.”

Bijna drie jaar geleden zei u dat u drie jaar zou aanblijven. Gaat u op 1 januari 1994 weg? Is de klus geklaard?

“Er gaat duidelijk een nieuwe fase in. Tweeënhalf jaar geleden heb ik me een hoop voorgenomen en dat is in grote lijnen bereikt. De omroepen moeten nu aan de slag, ieder op het eigen net. Daar kan ik minder bij helpen. Deze zomer ga ik me eens beraden op wat ik ga doen. Ik heb nooit lang tevoren gepland waar ik terecht zou komen. Vijf jaar geleden wist ik echt niet dat ik hier in Hilversum zou zitten. De toekomst is dus nog een open vraag, zoals voor ons allen.”