Hedendaagse Belgische kunst met gevoel voor het absurde; Een paard van spruitjes, erwtjes, lepels en vorken

Tentoonstelling: Kunst in België na 1980, t/m 29 mei in Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Dépendance Moderne Kunst, Koningsplein 1 Brussel, di t/m zo 10 - 17u, 1 mei gesloten. Catalogus: Bfr. 950,- (ongeveer 47,50 gld).

"Het is al even moeilijk de Belgische eigenheid te definiëren als de Belg in de rangorde der levende wezens te plaatsen," schrijft Baudelaire in zijn schotschrift Pauvre Belgique, een 'requisitoir' dat onaf bleef, maar waaraan hij tot vlak voor zijn dood werkte. Daarin verzamelde hij de schimpscheuten die in de Franse pers werden uitgedeeld aan het adres van de pasgeboren staat België. Dat "definiëren van een eigenheid" blijft België achtervolgen sinds haar betrekkelijk recente ontstaan. Eén toegedichte eigenschap wordt steeds weer als kenmerk naar voren geschoven: het vermeende gevoel voor het absurde. In de Hollandse 'Belgenmop' wordt dat beschouwd als een volkomen gebrek aan verstand, maar de zuiderburen zelf gebruiken die typering als geuzenvlag.

Op de tentoonstelling Kunst in België na 1980, die nu in Brussel te zien is, komt dat duidelijk tot uitdrukking.

Zo worden de vliegmachines van de oudere kunstenaar Panamarenko, het boegbeeld van de expositie, in de catalogus omschreven als een 'allegorie van het tegendraadse karakter' van de Belgische kunst; de zelf ontworpen mechanieken zijn namelijk niet in staat los te komen van de grond.

Bij elke tentoonstelling opnieuw doen de Belgen moeite om een traditie aan te tonen in dat surreële, bizarre en (zelf)spottende van hun levenshouding. Ook in Brussel wordt weer verwezen naar de vier Voorvaderen die de toon gezet zouden hebben: Rops, Ensor, Magritte en Broodthaers.

De 27 hedendaagse kunstenaars in het Museum voor Moderne Kunst zijn geselecteerd op hun bekendheid buiten België. Onder hen bevindt zich de 'grand old lady" van de Belgische kunst, Marthe Wéry, maar vooral jongeren die het laatste decennium internationaal furore maken. En weer valt op dat die kunstenaars de meeste zeggingskracht hebben, in wier werk het absurde de boventoon voert. Door een dikwijls aanwezig talent voor het theatrale komt die 'boodschap' nog beter tot zijn recht. Misschien verklaart dat waarom de Belgen momenteel zoveel succes hebben op de kunstmarkt: het met flair vormgeven is een bijzonder belangrijk aspect van het postmodernisme.

Het surreële en een gevoel voor poëzie gaan hand in hand bij drie van de bekendste exposanten: De Cordier, Vercruysse en Copers. Thierry de Cordier's manshoge vogelverschrikker, De bewaker van onze groentetuin, draagt een plank met de tekst: "Je n'ai absolument rien à voir avec le XXième siècle". Deze hartekreet van de zich in de moderne tijd misplaatst voelende kluizenaar De Cordier laat in zijn surreële gedaante voldoende te raden over om net niet in een cliché te vervallen. Er tegenover, aan de andere kant van de zaal, hing Jan Vercruysse vier blaasinstrumenten van blauw glas aan de wand onder de titel Tombeaux. De hyperesthetische installatie is sprookjesachtig, als Sneeuwwitjes glazen kist.

Eén van de leukste stukken op de tentoonstelling is het Draaitafeltje van Leo Copers uit 1988: wie het met een keurig kleedje bedekte ding nadert, zet het via de vloer in beweging. Het tolt om zijn eigen as, zodat het witte tafellaken als een opwaaiende rok ronddanst. Na aanvankelijke schrik blijf je als een kind ronddarren om de tafel in beweging te houden.

Opmerkelijk is dat diegenen die poëtisch willen zijn met weglating van de humor of het absurdisme, in mijn ogen nietszeggend werk maken. Mark Luyten bij voorbeeld, wiens diepere bedoelingen met zijn houtstructuren in krijt naast een foto van een paar mannenschoenen, volstrekt vaag blijven. Net zo zouteloos zijn de minimale doeken van de in de catalogus als 'emotioneel schilderend' geafficheerde Raoul de Keyser, terwijl de ruwhouten bielzen-arrangementen van Bernd Lohaus een dieptepunt zijn - topzwaar, er kan geen lachje af.

De grootste absurdist is zonder twijfel Patrick van Caeckenbergh. Vergeleken met hem is Guillaume Bijl, die een eigen kabinet kreeg voor zijn driedimensionale kopieën naar de banale werkelijkheid, weinig vindingrijk. Van Caeckenbergh (1960) bouwde van gebruiksvoorwerpen een paard: de poten van een keukentafel zijn de benen van het beest, een stapeling 'inlegbokalen' (weckflessen) met spruitjes, erwtjes, wortelen en augurken vormt de romp; de kop is een stapel borden en de staart een kluwen bijeengebonden lepels en vorken. Het is kinderlijk in de gunstige betekenis van het woord - het herinnert aan de manier waarop kinderen van een jas een huis bouwen, of van een pan een helm maken. Dat vermogen tot inbeelden moet de grondslag zijn van alle creativiteit, dat maakt Van Caeckenbergh ineens duidelijk met zijn luchthartige Paard van Troje.

De mooiste installatie is het mozaïek van het echtpaar Rombouts & Droste. Hun oeuvre bestaat uit de weergave van een fictief alfabet in beeldende tekens. Ditmaal is het uitgewerkt in een mobile van ijzerdraad, die hangt boven een vloermozaïek van zand. In zwarte grove korrels is een patroon gestrooid over het fijne witte zand, waarin die karakteristieke, naar geometrie zwemende losse krullen verschijnen. Het lijkt wel een archeologische vondst, een raadselachtige boodschap geschreven in zand die door toeval niet is weggeblazen maar bewaard bleef.

Wat zou ik graag de recensie lezen die Baudelaire (die ook kunstkritieken schreef) over deze expositie van Belgische kunst had geschreven! Zou hij niet in razernij ontstoken zijn over zoveel onserieusheid, over die goedlachse cultus van het irrationele? Misschien zou Baudelaire toch waardering opgebracht hebben voor de wijze waarop de Belgen hun kennelijke 'eigenheid' belijden. Niemand heeft die zo mooi samengevat als Marcel Broodthaers, in een spottende toelichting op zijn oeuvre: "Ik kwam op het idee om iets onoprechts uit te vinden en ging onmiddellijk aan het werk".