Hartstocht, geen rede bij Franse stembus

De Fransen gaan zondag naar de stembus voor de tweede ronde van de parlementsverkiezingen, die de socialistische nederlaag van de eerste ronde waarschijnlijk zal bevestigen. Over de oorzaken van die nederlaag een gesprek met de Franse politieke commentator Alain Duhamel.

PARIJS, 27 MAART. “De Franse kiezers hebben meer met hartstocht dan met redelijkheid gestemd. Maar deze verkiezingen hebben nu eenmaal plaats in een periode van economische crisis en na twaalf jaar vrijwel onafgebroken socialistisch bestuur. De afstraffing van de Parti Socialiste is niet geheel rechtvaardig, maar verklaarbaar.” Dat zegt Alain Duhamel (52), politicoloog en bekend publicist, auteur van acht boeken over de Franse politiek, waarvan het laatste, De Franse angsten, gretig aftrek heeft gevonden.

Duhamel is een onafhankelijke stem in de Parijse media-politieke micro-kosmos, die mede de agenda bepaalt in het Franse politieke debat. Hij noemt vier redenen voor de vernietigende nederlaag van de Parti Socialiste, die afgelopen zondag, in de eerste ronde van de parlementsverkiezingen, slechts 17,6 procent van de stemmen kreeg. De “eerste en essentiële” is de economische crisis, die hoge werkloosheid heeft veroorzaakt (drie miljoen Fransen hebben geen baan). De tweede, die daarmee is verbonden, is die van de sociale crisis en de onveiligheid die daarvan het gevolg is in de "banlieues' rondom de grote steden.

Teleurstelling over de “morele aspecten van links en de socialistische partij in het bijzonder” is naar Duhamels oordeel de derde en “gevoelige” reden waarom de Fransen die vroeger links stemden, besloten de Parti Socialiste een afstraffing te geven. En ten slotte hebben de kiezers de "methode-Mitterrand', met zijn “bescherming van vrienden”, en de “slijtage van de macht” afgewezen. “En dat speelt eveneens een substantiële rol”, aldus Duhamel, die in het dagelijks leven chef is van de politieke redactie van Europe 1, een in Frankrijk veel beluisterd commercieel radiostation.

De balans van twaalf jaar "mitterrandisme' is niet uitsluitend negatief, erkent Duhamel. “De sociale wetgeving is in Frankrijk een van de beste ter wereld. De socialisten hebben na hun mislukte experiment van 1981-83 geleerd het land economisch goed te besturen. En wat de openbare vrijheden betreft: er is inderdaad meer persvrijheid en de justitie is vrijer dan ooit, zoals Mitterrand in zijn afscheidstoespraak tot de vertrekkende regering zei. De rechtsstaat is verbeterd voorzover het om de beginselen gaat, maar bij de toepassing daarvan is men in gebreke gebleven.”

De "alternance' (wisseling van de macht), die de inzet is van de verkiezingen, is vooral zo bruusk omdat de politieke cultuur in de Vijfde Republiek er een van protest is - tegen de grote macht van de president en zijn regering. Bovendien is de Franse politiek volgens Duhamel slecht gestructureerd. “Politieke partijen zijn zwak. De politieke organisatiegraad is de laagste in West-Europa. De Parti Socialiste heeft minder leden dan de Belgische socialistische partij. De Franse vakbonden zijn in ledental de zwakste van alle landen van de OESO (de organisatie van Westerse industrielanden). Dat betekent dat ideeën voor vernieuwing meer dan elders van individuele personen moeten komen.”

Duhamel meent dat de afwijzing van het "mitterrandisme' het begin kan zijn van een modernisering van links in de richting van de sociaal-democratie naar Noordwesteuropees model. De socialistische oud-premier Michel Rocard en Jacques Delors, de voorzitter van de Europese Commissie, willen die richting op. Aan de andere kant is ook rechts niet langer "thatcheristisch', belust op het herstel van het "wilde kapitalisme'. Duhamel: “Balladur (de gaullist die het meest genoemd wordt als de nieuwe premier) heeft elementen van dat sociale liberalisme in zijn programma opgenomen. Oud-president Giscard d'Estaing heeft het sociaal-liberale model, zoals elders in West-Europa bestaat, als zijn doelstelling genoemd. Maar we staan nog maar aan een begin. Tenslotte is dit het land van het colbertisme en de jacobijnse staat, met zijn enorme openbare sector en zijn machtige en zware administratie.”

In zijn boek over De Franse angsten stelt Duhamel, dat vele daarvan kunstmatig en zelfs ten dele "imaginair' zijn - zoals de vrees voor Europa en het idee van de achteruitgang van Frankrijk als natie op het wereldtoneel. Duhamel, zelf overtuigd Europeaan, meent niettemin dat de angst voor Europa het afgelopen halfjaar in Frankrijk is toegenomen. “Het Verdrag van Maastricht over de Europese Politieke en Monetaire Unie zou zeker worden verworpen als er nu een referendum over ratificatie zou worden gehouden”, meent hij. Want de "categorale belangen' (vooral de boeren) zijn sterker geworden, de economische crisis is ernstiger (sinds het referendum in september) en er is sprake van een zeker anti-Europees poujadisme.

De nieuwe Franse regering zal naar zijn opvatting voor de zomer een aantal beslissingen moeten nemen: over de onderhandelingen in de GATT over liberalisering van de wereldhandel, over de hervorming van de gemeenschappelijke Europese landbouwpolitiek (die vorig jaar in de EG is aanvaard, per 1 januari van kracht is geworden, maar door wellicht een meerderheid van de Franse boeren nog steeds niet is geaccepteerd) en, meer in het bijzonder, het ontwerp-landbouwakkoord tussen de EG en de Verenigde Staten over oliehoudende zaden (dat onder anderen door Chirac als onaanvaardbaar is bestempeld). Met het oordeel dat dit laatste akkoord op zijn minst te kritiseren is, staat Frankrijk naar Duhamels mening overigens niet langer alleen in de EG.

Duhamel erkent dat er een tegenspraak bestaat tussen aan de ene kant het engagement van rechts om voort te gaan op de weg van de Europese eenwording, monetaire samenwerking met Duitsland en bijvoorbeeld het onafhankelijk maken van de centrale bank, de Banque de France, en anderzijds de neiging tot protectie van de Franse boeren. “Er moet een evenwicht worden gevonden tussen voortzetting van de Europese eenwording en het belang van het voortbestaan van het Franse platteland, waarmee bijna een model van leven en een stukje van onze nationale identiteit zijn gemoeid. Die twee zijn best op één noemer te brengen, ook al trekken ze elk een andere richting uit. Het is de opgave van de politiek de contradicties bestuurbaar te maken.”

De Franse landbouwwereld is volgens Duhamel beter georganiseerd dan enige andere belangengroep in de Franse samenleving. En dat verklaart mede waarom de stemmen van de boeren (1,4 miljoen op een totale bevolking van 56 miljoen) meer gewicht in de schaal leggen dan die van enige andere bevolkingsgroep. In het debat over de GATT is de invloed van de landbouwlobby groter dan bijvoorbeeld die van de Franse (financiële) dienstensector of de omvangrijke telecommunicatie-industrie, hoewel die juist veel te verwachten hebben van openstelling van de Amerikaanse of Japanse markt in het kader van de GATT-onderhandelingen.

Waarom wordt de stem van de industrie in het Franse GATT-debat nauwelijks gehoord en heeft die van de landbouw en de agrarische voedselindustrie (in de laaste twee werkt tien procent van de Franse beroepsbevolking) een veel groter electoraal gewicht? Duhamel: “Daarvoor zijn psychologische en affectieve redenen, zoals de instandhouding van het rurale Frankrijk. Maar belangrijker is dat de economie in dit land ondergeschikt is aan de politiek. De staat is hier groter dan in andere landen, de politiek domineert de economie. En de Fransman is een idividualist”, zegt Duhamel die van die laatste stelling het levende bewijs is - hij verplaatst zich in Parijs per Solex (“Ik ben altijd op tijd, maar wel al drie keer omver gereden”).

Voor het belang (en de stemmen) van de boeren en het landbouwbedrijfsleven in ruimere zin staat Jacques Chirac, burgemeester van Parijs en afgevaardigde in de Nationale Vergadering voor een plattelandsdistrict in de Corrèze (Centraal-Frankrijk) op de bres. Chirac blijft waarschijnlijk buiten de regering om, het blazoen niet bevlekt door politieke compromissen, in 1995 de race naar het Elysée te winnen. Daarom voorziet Duhamel dat de rechtse regering onder leiding van een "sociale liberaal' als Balladur bij het "samenleven' (cohabitation) conflicten zal krijgen. “Het minst met Mitterrand en het meest met de rechtervleugel van de gaullistische partij die "Maastricht' afwijst en mogelijk met Chirac.”

En wat de herschikking van links tot een Westeuropese sociaal-democratische partij betreft, zal François Mitterrand volgens Alain Duhamel “niet meer dan een sympathieke toeschouwer kunnen zijn”. Het oordeel van de kiezers over het mitterrandisme kan tenslotte niet worden misverstaan.