Generalisten en professionals

Sinds het parlementaire debuut van Hans van Mierlo, al meer dan vijfentwintig jaar geleden, bestaan er twee soorten Kamerleden: specialisten en generalisten.

De eersten zijn deskundig op bepaalde terreinen van wetgeving, en treden veelal op als de woordvoerders van hun fractie op dat terrein, de laatsten worden niet met speciale onderwerpen van wetgeving vereenzelvigd maar staan op een hoger politiek standpunt zonder overigens van alle markten thuis te zijn. Den Uyl was de grote generalist bij de sociaal-democraten, zoals Van Mierlo het is bij de Democraten 66, Bolkestein bij de VVD, Schutte bij het GPV en Ria Beckers bij Groen Links. Generalisten zijn de witte raven in de Kamer, die markantere politieke meningen hebben dan de zwarte, zich niet aan een enkel onderwerp vastklampen maar een ruimer schootsveld hebben en zich in het algemeen vrijer bewegen. Ze hebben kwaliteiten die de specialist ofwel mist ofwel verborgen houdt.

Een staatkundig rapport van de PvdA uit de jaren zestig definieert de parlemenaire generalist als iemand “met algemeen politiek inzicht en het vermogen zowel binnen als buiten het parlement leiding te geven aan de algemene politieke meningsvorming”. (Een stem die telt, blz. 24). De headhunter van de Partij van de Arbeid, Felix Rottenberg, zou er zijn voordeel mee doen dat van ver voor zijn tijd daterende rapport, dat geschreven is naar aanleiding van een vorige crisis in het parlementaire bestel (1967), goed in zich op te nemen.

Uit dat rapport blijkt hoe groot het cultuurverschil tussen de PvdA van 1967 en die van nu is. In de eerste plaats liet de partij in 1967 een grondige analyse van de functies van het parlement aan een personele verjonging van de vertegenwoordigende organen vooraf gaan, terwijl die van nu totdusver alleen maar op zoek is geweest naar talentvolle generalisten, zonder zich rekenschap te geven van de eisen die het parlementaire systeem aan de uitoefening van het Kamerlidmaatschap stelt. In de tweede plaats bracht de partij vele politieke kanonnen in stelling om zich over de oorzaken van de crisis (in dit geval niet alleen in de partij, maar ook in het politieke systeem) uit te spreken. Daar kwamen zowel Burger, Den Uyl, Samkalden, Vondeling en Tans aan te pas (aangevuld met de junioren Van Thijn en Kosto) als de systeemdeskundigen Albrecht en Daudt.

Het is relevant de vraag te stellen wat de generalisten die de headhunter van de Partij van de Arbeid voorzitter Rottenberg zoekt, in concreto onderscheidt van de afgekeurde sociaal-democratische Kamerleden, die het concilium van de partijvoorzitter hebben gekregen? Rottenberg lijkt de oplossing van de meervoudige politieke crisis die hij wil bestrijden (in zijn partij, in de Kamerfractie en in de relatie met zijn kiezers) vooral van een injectie van fris generalistenbloed in de Kamer te verwachten. Daarmee stelt hij zijn hoop op een troefkaart, die haar geheim nog niet heeft prijsgegeven.

Rottenberg wordt kennelijk gehinderd door misvattingen over het wezen van het parlementarisme. De eerste is dat het bezit van een persoonlijkheid (liefst met uitstraling, charisma mag ook) garant staat voor parlementaire effectiviteit, waar het in de eerste plaats om gaat. Maar omtrent de vraag of de wise guys die hij zoekt (als het kan ook nog good-looking) voldoen aan de prozaïsche eisen en bestand zijn tegen de vermoeienissen van het parlementaire werk en de hitte van de strijd, heeft hij geen enkele zekerheid.

De tweede misvatting is dat generalisten geen politieke scholing hoeven te hebben en het met hun verstand alleen wel redden. Zulke talenten zullen er ongetwijfeld zijn, in de regel worden goede parlementariërs echter niet geboren maar gemaakt. Of die vorming in een politieke partij tot stand is gekomen of elders, is niet van belang. Maar zonder politieke scholing zal een generalist, hoe groot zijn brein ook is, in het parlement niets klaarspelen. Er lopen tal van Kamerleden rond, ook bij de PvdA, aan wier brein niets mankeert maar die een beter figuur zouden hebben geslagen als ze beter in het politieke ambacht doorkneed zouden zijn geweest.

Kennis van het parlementaire systeem, inclusief affiniteit met juridische vormen, is een eerste vereiste, maar ook kennis van de politieke omgeving. Hoe beter zij thuis zijn in de theoretische achtergrond en de geschiedenis van de politieke instellingen, hoe effectiever Kamerleden functioneren. De kritiek die Rottenberg op de kwaliteit van zoveel van de Kamerleden van de PvdA heeft uitgeoefend, slaat in de eerste plaats op de PvdA zelf terug. Zij heeft zich nooit bekommerd om de technische en de intellectuele voorbereiding op het ambt, eenvoudig omdat zij dat ambt nooit als een vak heeft beschouwd.

De derde misvatting is gelegen in de opvatting dat het vanzelf wel weer goed komt met de Kamerfractie van de PvdA als er maar genoeg generalisten zijn die zich kunnen losmaken van het lezen van de kleine lettertjes ofwel van het vele werk dat klaarblijkelijk zoveel grijze muizen heeft aangetrokken. In die conceptie ligt het zwaartepunt van de bezigheden van een generalist meer bij public relations dan bij het proces van wetgeving met zijn taaie vormvoorschriften. Met zulke generalisten in de voorste banken brengt geen enkele fractie ingewikkelde wetgevingsoperaties als de herziening van de WAO tot een goed einde. Rottenbergs generalisten zouden daar niet van terecht brengen zonder ondersteuning van een compagnie "boekhouders' die het metier beheersen. De partijvoorzitter zal er nog achter komen dat het maken van wetten een meticuleuze arbeid is waaraan weinig eer is te behalen in termen van talkshowpubliciteit.

De vierde misvatting is dat een generalist een politieke diersoort is die beter zou zijn dan het parlementaire voetvolk of boven de rest verheven. Het soortkundig onderscheid suggereert ook een onafhankelijkheid en een politieke vrijheid van de fractie, terwijl die in feite niet bestaan. Een generalist is, om mij tot Rottenbergs he-men te beperken, niet zijn eigen baas. De verwachting dat een generalist ongebonden kan optreden, los van zijn fractie en vrij tegenover het kabinet, is strijdig met de parlementaire werkelijkheid. Hij zal zijn positie en zijn gezag niet ontlenen aan de steun van zijn partijvoorzitter, maar aan zijn parlementaire kwaliteiten. Pas als hij bewezen heeft het vak in zijn vingers te hebben, zal hij door zijn fractiegenoten als een generalist worden erkend. Maar hij zal die titel in de Kamer moeten verdienen. P.S. Door een onverklaarbare verschrijving heb ik de naam van Thomas Cranmer in mijn stuk van de vorige week verhaspeld. Met dank aan de lezers die mij daarover hebben geschreven.