Fluit in Franse kamermuziek virtuoos en trampolinelenig

Concert door Harry Starreveld (fluit), Lucia Meeuwsen (mezzosopraan) en Ronald Brautigam (piano) met Nieuw Ensemble onder leiding van Ed Spanjaard. Werken van Debussy, Messiaen, Roussel en Boulez. Gehoord: 26/3 Kleine Zaal Concertgebouw Amsterdam, herhalingen: 28/3 Theater Romein Leeuwarden, 30/3 Concertgebouw Haarlem, 31/3 Muziekcentrum Enschede.

Vrijdagmiddag werd harpiste Phia Berghout ter aarde besteld en 's avonds aan het begin van het slotconcert van de Concertgebouw Kamermuziekserie "Van Debussy tot Boulez' droeg Ernestine Stoop de uitvoering van Debussy's Sonate voor fluit, altviool en harp te harer nagedachtenis op. De sonate lag haar via Berghout zeer na aan het hart en ongetwijfeld had dit concert Berghout aangesproken, want ook Roussels Sérénade Opus 30 bezit zo'n prominente harppartij in Franse stijl.

Hoe virtuoos er ook gemusicieerd werd, en met welk een elan met name in onstuimige slotdelen, typisch Frans was het niet. Aan elasticiteit en etherische kleurschakeringen kwamen we wel wat te kort, waar weer tegenover stond dat in dit kerngezond musiceren het maniërisme geen enkele kans kreeg. Prachtig zoals Harry Starreveld in Roussel het hoge register uitspeelde, helder en ingetogen - een betwistbare Franse praktijk vormt het nerveus penetrante vibrato - ronduit meesterlijk waren zijn wel degelijk verfijnde klankschakeringen in Boulez' Le marteau sans matre. Bovendien fraai in balans met Lucia Meeuwsen en het Nieuw Ensemble: kaatsend virtuoos, trampolinelenig, wat een belevenis!

Weer weinig Frans ten slotte was de opvatting van pianist Ronald Brautigam in Messiaens Cantéyodjaya, veel te wollig van klank in de basnoten en te weinig glasachtig scherp in de deskant. Overigens virtuoos en met een opvallend dwingende gestiek in het verloop naar het slot toe - niet zelden verbrokkelend al die korte en scherp gescheiden secties waaruit Cantéyodjaya is opgebouwd.

De combinatie Messiaen-Boulez, eens een docent-studentrelatie, lijkt logisch, maar nog onlangs stelde Boulez in een vraaggesprek dat Messiaen nooit en te nimmer een Marteau had kunnen schrijven, zoals evenmin Strawinsky zijn Fluitsonatine en Schönberg zijn Tweede Pianosonate had kunnen componeren. De bronnen van al deze werken zijn inderdaad niet moeilijk te traceren, maar wel degelijkerwijze waarop zij zijn getransformeerd tot iets eigens; waar sprake is van instinctieve en irrationele factoren, is dit zelfs voor de componist onmogelijk te achterhalen,