Een zo hetzelfde mogelijk spel

Kwartetten met een meiske van drie valt niet mee. Gewoonlijk speel ik ieder spel met maar één doel voor ogen: winnen.

Maar een peuter verpletteren vind ik geen uitdaging. Wat te doen als Fenne met haar engelenlach bij elke beurt dezelfde kaart vraagt, die ik niet heb? Haar aanmoedigen eens iets anders te vragen bijvoorbeeld. Of haar zo manipuleren dat ze een kaart vraagt die ik wél heb. Ik kan ook domweg hetzelfde doen als zij, of haar de kaarten vragen die ik zelf heb, zodat zij gegarandeerd wint. Ook ingemaakt worden door een driejarige is makkelijk.

Veel moeilijker en interessanter is het om een strategie te ontwerpen die ik consequent kan volgen (zodat ik niet hoef na te denken) en die ongeveer hetzelfde resultaat heeft als haar tamelijk willekeurige gemodder. Niet: zo goed mogelijk, niet zo slecht mogelijk, maar zo hetzelfde mogelijk. Als ik dat optimaal doe dan is de uitslag van ons spelletje mede afhankelijk van toevallige factoren: wie met welke kaarten begint, wie welke kaart van de pot pakt. Dan is het spannend.

Ik vraag om te beginnen naar kwartetten waar ik zelf maar één kaart van heb. Anders is het risico te groot dat ik per ongeluk met een kwartet kom te zitten. Ik vraag bij voorkeur niet naar kwartetten waar zij al naar gevraagd heeft want dan weet ik bijna zeker dat ik scoor. Trio's bewaar ik zuinig, dan is voor Fenne de trefkans groter.

Binnen deze regels ga ik strikt systematisch te werk. Naar elke kaart die ik niet heb vraag ik één keer. Zo houdt mijn eerste kaart me meestal drie beurten zoet. Ik houd me bij het vragen aan de volgorde waarin de kaarten in mijn hand liggen, met inachtneming van de genoemde uitzonderingen. Kwartetten worden zo meestal per ongeluk gecompleteerd, door een gelukkige greep in de pot.

Het mooie van deze tactiek is dat hij makkelijk valt aan te passen als de vorderingen van mijn opponente daartoe aanleiding geven. Ik kan bijvoorbeeld de kwartetten die in de hand van mijn dochtertje blijkbaar zijn vertegenwoordigd hun uitzonderingspositie ontnemen, en er gewoon naar vragen als ze bij mij "aan de beurt' zijn. Ik kan in mijn hand de paren eenzelfde status geven als enkele kaarten, zodat die ook eerder aan de beurt komen. Op een dag zal ik de conclusies die ik over haar hand trek, gebruiken in mijn eigen voordeel in plaats van het hare. Het is een systeem met talrijke fijnregelingen, waardoor we altijd aan elkaar gewaagd zullen zijn. Dochterlief zal het toepassen als ik aftakel.

Een heel andere kwestie is het mensergerjenieten met een zoon van vier. (Zo oud was Marten toen hij de regels leerde.) Het probleem is hetzelfde: ontwerp een samenhangende strategie die gelijkwaardig is aan het geklungel van de kleuter. De eigenaardigheden van het spel maken dat hier lastig. In de eerste fase heb je als goedwillende ouder geen enkele invloed, tenzij je de spelregels geweld aandoet: de dobbelsteen is de baas. Pas als er meer pionnen in het veld staan heb je keuzemogelijkheden. Mijn normale op winst gerichte tactiek bestaat eruit dat ik steeds één pion vooruit stuur. Een pion kan beter worden afgegooid als er nog geen beurten in geïnvesteerd zijn, dus het is dom om met een heel peloton op sjouw te gaan.

Bij Marten heb ik in eerste instantie gestreefd naar een maximaal verliezende strategie. Ik ging dus wél met alle ter beschikking staande pionnen op pad. Gooide ik zes en kreeg ik er eentje bij, dan hield het peloton halt, liefst pal voor de neus van een vijandelijke pion. Pas als de nieuweling ter plaatse was aangekomen ging de groep verder, als er dan nog iets van over was tenminste. Ook liet ik mijn pionnetjes nog wel eens treuzelen als ze eigenlijk al de haven hadden kunnen binnenlopen.

Ik herinner me dat mijn oma, als ze dit edele spel met ons speelde, altijd expres vergat om ons af te gooien, terwijl ze ons graag hielp haar poppen te slaan. Destijds had ik daar geen bezwaar tegen maar het zou gezond zijn geweest om nu en dan te ervaren hoe het is om van het bord te worden gemikt. Ik manipuleer alleen de kansen, niet de gebeurtenissen zelf.

Marten z'n poppetjes werden er door mij inderdaad zo nu en dan afgeslagen. (Ik liet dat alleen na als hij er maar één had. Twintig beurten lang wachten op een zes, dat wilde ik hem niet aandoen.) Mijn verliezerstactiek als geheel werkte zo goed, dat hij toch bijna altijd won. Dus probeerde ik de fijnregeling.

Maar dat werkte niet. Mens-erger-je-niet is op de een of andere manier instabiel. Ik kon niet zomaar een vuistregel weglaten. Als ik besloot om niet te treuzelen in het zicht van de haven, dan deed zich gedurende het hele potje geen enkele situatie voor waarin dat zou hebben uitgemaakt. Marten z'n laatste pion wegslaan vond ik nog steeds immoreel. En als ik het groepsgewijs optrekken schrapte, dan zat ik opeens opgescheept met een royaal winnende tactiek. De eerste keer dat ik dat probeerde keek het joch zo sip dat ik mijn plan weer veranderde. En terstond werd ik in de pan gehakt op de manier die op het deksel van de doos zo treffend is afgebeeld.

Het is een grandioze mislukking geworden. Marten kan ertegen dat hij wordt afgegooid, maar tegen zijn verlies kan hij niet. Daarvoor heeft hij te vaak gewonnen. Oma had het toch beter bekeken. Die liet tenminste merken dat ik eigenlijk had moeten verliezen.