Een zeer aerdich bolghewas

Maart is de tijd voor het kleine geluk: bolgewassen met bloemen maar een paar centimeter boven de grond. Als de evolutie van tuinplanten op enige manier aan het welzijn van de tuinier was onderworpen, zouden deze minieme plantjes niet zo klein zijn; knielen op de vochtige maartse grond om ze te inspecteren is bepaald ongemakkelijk. Maar het loont de moeite. Niet lang geleden ben ik in de Hortus gaan kijken naar wat heel kleine en aantrekkelijke crocussen - verschillende soorten van Crocus sieberi, C. biflorus en, de kleinste van alle, C. minimus, allemaal veel mooier dan de gewone, al zijn ze van een afstand minder zichtbaar. Ik hoop ze aan te schaffen voor volgend jaar; intussen kan ik mijn hart ophalen aan een ander heel klein plantje dat ik wel in mijn tuin heb: Erythronium dens-canis, de hondstand.

Deze plant heeft niet alleen prachtige bloemen maar ook exotische bladeren, een beetje rubberig bruin met groene vlekken, dat aan gecamoufleerde legervoertuigen doet denken. De bloemen zelf zijn van een delicate naar het roze neigende lichtpaarse tint; in het begin hangt de bloemkelk naar beneden, maar als de zon begint te schijnen gaan ze horizontaal staan, alsof ze probeerden een cyclamen na te doen, en dan lijken ze op een of andere manier te groot voor de plant waar ze aan vast zitten. Intussen is hun voordeligste eigenschap natuurlijk dat ze gedijen in halfschaduw.

De hondstand mag maar klein zijn, zijn geschiedenis weergalmt van grote namen. Zijn eigen benaming wordt verklaard uit een veronderstelde gelijkenis van de bol met een hondetand; ik moet bekennen dat mij, toen ik de mijne plantte, die gelijkenis nooit is opgevallen en ik denk niet dat ik ze nu nog even ga opgraven om eens te kijken. Het lijkt op zichzelf al vreemd een plant met zulke opvallende bladeren te noemen naar haar wortel, maar het is waar dat deze wortel in de zestiende eeuw, toen de plant voor het eerst werd beschreven, heel wat deining heeft veroorzaakt; zij werd toen namelijk ten onrechte aangezien voor een zeker gewas waarvan de wortels de reputatie hadden de wellust op te wekken, namelijk Satyrium.

Deze Satyrium of Satyrion (in het Grieks) komt voor in de De materia medica (hoewel in het Grieks geschreven is dit werk om een of andere reden bekend onder deze Latijnse naam) van Dioscorides, het grootste artsenijkundige handboek uit de oudheid (eerste eeuw na Chr.). Het bevat beschrijvingen van zo'n 600 planten met hun farmaceutische toepassingen en werd gedurende de vijftienhonderd jaar van de Donkere Eeuwen door zowel botanici als artsen en apothekers als onfeilbaar beschouwd. Ook tijdens de Renaissance had het boek nog een groot gezag: geen van de grote zestiende-eeuwse kruidenboeken was volledig zonder uitvoerige verwijzingen naar het werk van Dioscorides; het heeft ook de moderne naamgeving van planten aanzienlijk beïnvloed. Hoewel de nadruk veel sterker ligt op de nuttige toepassingen van planten dan op hun beschrijving is het boek nog steeds fascinerend om te lezen, zelfs in de als "woefully inadequate' beschreven Engelse vertaling (daterend uit 1655 maar pas gepubliceerd in 1933).

De Satyrium komt voor in boek III: eerst de eigenlijke soort en dan Satyrium erythronium, de "rode Satyrium', ook bekend als Priapiscum, Satyrtestikel en, bij de Romeinen, als testiculum leporis - niet iets van de hond maar van de haas dus. De Satyrium heette de mensen wellustig te maken "op dezelfde wijze als de Scincus'. Deze Scincus wordt ook in Dioscorides beschreven, het is de "aardkrokodil', die "ingemaakt kan worden in zout en Oostindische kers'; het lustopwekkende element kwam van "rond de nieren' (van de aardkrokodil) en moest vermengd worden met wijn. De gebruikswaanwijzing van Satyrium erythronium is minder ingewikkeld: ""Het wordt gezegd dat als de wortel in de hand wordt genomen dit tot liefde opwekt; met wijn is het effect nog sterker.''

Geen wonder dat de botanici geestdriftig waren toen ze dachten deze noordelijke variant van de Satyrium gevonden te hebben. Dioscorides' beschrijving is echter nogal vaag: ""zaad als vlas, zoetsmakende wortel, groeiend op zonnige en heuvelachtige plaatsen'' - karakteristieken die ook op veel andere planten van toepassing zouden kunnen zijn. De (echte) Satyrium was waarschijnlijk een soort orchidee (1) en met een beetje goede wil zou je je kunnen voorstellen dat de vlekken van de erythronium vereenzelvigd werden met die van het orchideeënblad.

De hondstand werd in Engeland geïntroduceerd in de zestiende eeuw, waarschijnlijk door Mathias de l'Obel (later bekend als Lobelius, 1538-1616). Alice M. Coats (2) heeft De l'Obel een "displaced person' genoemd: hij was afkomstig uit Rijssel, studeerde in Montpellier, trouwde een Engelse en woonde in Londen, Antwerpen, Delft en daarna weer Londen; hij bekleedde onder meer de posities van lijfarts van Willem de Zwijger, hoofdopziener van de artsenijtuin van Lord Zouch en botanicus in dienst van Jacobus I. De l'Obel is een fascinerende figuur, hij had ""een krachtige persoonlijkheid - ruw, opvliegend, hartstochtelijk, onvermoeibaar - een leidsman onder de zestiende-eeuwse herstellers van geleerdheid waardig''.(3) Hij was niet alleen een voortzetter maar ook een vernieuwer: zijn plantenboek, Stirpium adversaria nova (Nieuwe aantekeningen over planten, 1570), geschreven in samenwerking met Pierre Pena, een medestudent uit Montpellier, was in feite de eerste poging om planten te ordenen aan de hand van een leidend beginsel. Op zoek, zoals hij schreef, naar een "ordo universalis' waarin ""dingen die lang en breed verschillen als het ware één ding worden'', koos hij een classificatie gebaseerd op bladvorm, hetgeen hem deed onderscheiden tussen één- en tweezaadlobbigen. Hoewel niet in alle opzichten bevredigend was het een grote stap vooruit vergeleken bij de vroegere arbitraire indelingen.

Van dit kruidenboek, geschreven in wat wel genoemd is "un latin barbare' (4), bestaat ook een Nederlandse versie, getiteld Kruydtboeck (met nog andere teksten), verschenen in 1576 en opgedragen aan de Prins van Oranje. Elk lemma begint met het desbetreffende citaat van Dioscorides; dat over de Erythronium dens-canis vervolgt dan: ""Luttel jaeren gheleiden is bekent gheworden dit zeer aerdich bolghewas, de welcke van ons vrienden Satyrion ghenoemt werdt. Dit zelfde, advijs ghenomen zijnde van de Medecijns van Lions, die dat deden confijten, en de cracht versocht hebbende, heeft schijn te zijn de rechte Satyrion van Dioscorides: maer nae veel experiencie soo weet ick datter groote menichte van gheconfijtte zijn gebracht gheweest binnen Parijs en de ande steden van Franckerijck.''

Een intrigerende passage. Waren het de wellust-opwekkende eigenschappen waarvan de "cracht' werd "versocht'? Was dat de reden dat de geconfijte hondstand in Frankrijk zo populair was? De resultaten van het enkel in de hand houden van de bol zullen, zo stel ik mij voor, teleurstellend zijn geweest. Wanneer mijn kostbare plantjes zich hebben uitgezaaid, moet ik misschien ook maar eens proberen wat hondstandjam te maken en zien of de dag wat nieuws brengt na het ontbijt.

De tekst is verrassend vrolijk en levendig; een omschrijving als "dit zeer aerdich bolghewas' - bulbus perelegans, in de Latijnse tekst - heeft meer de toon van het enthousiaste relaas van een tuinier dan van een botanisch naslagwerk. Zo ook wanneer hij vertelt hoe hij de hondstand ook echt heeft zien bloeien ""binnen Lions in den hof van Walerandt Donrez in den April, van den selven aldaar ghebracht, door wiens neersticheidt dat ons aldereerst is bekent gheworden''. De Latijnse tekst is hier wat uitvoeriger (het is een waar genoegen twee teksten te vergelijken die zich in verschillende bibliotheken bevinden en die om reden van hun ouderdom niet gefotokopieerd mogen worden); Donrez, een mede-Rijsselaar, had de bollen opgegraven in de Alpen grenzend aan het Meer van Genève, en de l'Obel verzamelde er later zelf ""in de heuvels bij Turijn, anderhalve mijl van de rivier de Po'' (deze passage is wel speciaal barbare, met drie woorden aan elkaar geschreven waarvan een, "lenca', niet bestaat in klassiek Latijn. Een wonderbaarlijk toeval wil dat het Woordenboek van het Middeleeuwse Latijn van de Noordelijke Nederlanden, dat in afleveringen wordt gepubliceerd door Brill, net tot de letter L is gevorderd: lenca = leuca = leuga = mijl (vgl. Eng. league).

Het verhaal over de groote menichte confijten mag niet helemaal duidelijk zijn - wat ik erin proef is dat de l'Obel betwijfelde of de hondstand wel hetzelfde was als de Satyrium van Dioscorides, of zelfs dat hem dat niet bijzonder interesseerde. Wat hem belang inboezemde was de plant zelf en waar zij vandaan kwam, niet wat je er mee doen kon. En in die benadering lag de kiem van de moderne botanie.

(1) "Sans doute une Helleborine (Serapias cordigera) d'un rouge vineux', aldus Jacques André in Les noms de plantes dans la Rome antique.

(2) Alice M. Coats, Flowers and their Histories, Londen, Adam & Charles Black, 1968.

(3) J.C.Mallet & P. Jovet, Dictionary of Scientific Biography 8, 1973.

(4) Edouard Morren, Mathias de l'Obel, sa vie et ses oeuvres, Luik, Boverie 1875.