EEN REPUBLIEK GESMOORD IN FRUSTRATIES

Histoire de la IVe république. Troisième partie: La république des tourmentes. 1954 - 1959, tome premier door Georgette Elgey 672 blz., Fayard 1992, f 67,90 ISBN 35 8349 992 X

L'esprit de liberté door Marie-Claire Mendès France 238 blz., gell., Presses de la Renaissance 1992, f 40,85 ISBN 2 85616 654 7

Guy Mollet. Le mal aimé door Denis Lefebvre 563 blz., gell., Plon 1992, f 64,05 ISBN 2 259 02465 3

Na de Tweede Wereldoorlog werd in Frankrijk de Vierde Republiek geïnstalleerd. Ondanks alle goede voornemens na de donkere dagen van Vichy, geldt deze staatkundige constructie tegenwoordig als een schoolvoorbeeld van hoe politiek niet moet. Geschiedenisboeken en politicologische inleidingen struikelen over elkaar heen in hun ijver om de heksenketel van gevallen kabinetten, ministeriële koehandel en anti-parlementaire bewegingen aan de kaak te stellen. Het derde deel van Georgette Elgeys uitputtende historie van de Vierde Republiek, met de veelbetekenende titel La république des tourmentes, vormt hierop geen uitzondering.

Op het eerste lijkt dit ongunstige beeld volledig geschraagd door de feiten. De eerste paar jaren na de bevrijding schonk de cameraderie van verzet en bevrijding nog enig houvast aan een coalitie van communisten, socialisten en christen-democraten, maar al na 1947 ontstond de chaos. Er kwamen alleen nog broze gelegenheidsregeringen, en zowel parlementsleden als ministers waren te allen tijde bereid van politieke kleur en voorkeur te veranderen als dat persoonlijk of partijpolitiek gewin opleverde. In de navolgende twaalf jaar verslond de republiek meer dan twintig kabinetten (ter vergelijking: Nederland telde tussen 1945 en 1959 zes kabinetten), en bedroeg de totale periode van regeringsloosheid vanwege politieke crises een vol jaar.

De verachting van de Franse kiezers voor de Vierde Republiek vond uitdrukking in lage opkomsten bij de verkiezingen en in ruime steun aan anti-parlementaire bewegingen als de agressieve middenstanderspartij van Poujade en de diverse Gaullistische stromingen. Zelfs de meest liberale commentator scheen een zucht van verlichting te slaken toen generaal de Gaulle in 1958 op het hoogtepunt van de Algerijnse crisis uitgenodigd werd de macht te grijpen. Elgey heeft er bijvoorbeeld geen moeite mee te bekennen dat zij toen een enthousiaste voorstander van zijn machtsgreep was, en nog steeds is trouwens. Dat wil zeggen dat hem werd toegestaan zes maanden zonder parlement te regeren en een nieuwe grondwet, grondslag voor de Vijfde Republiek, op te stellen.

HARTEWENS

Toch schuilt er iets hypocriets in deze eenstemmige gretigheid waarmee de Vierde Republiek gevonnist wordt. Want wie de politieke corruptie, de schandalen en complotten van de Derde Republiek, die in 1940 ophield te bestaan, in ogenschouw neemt, moet constateren dat er weinig nieuws onder de zon was. De "straat' en het leger speelden toentertijd een minstens even gevaarlijke rol in het politieke leven. Het is ook goed te bedenken dat het Vichy-regime van maarschalk Pétain niet alleen een door de Duitsers opgedrongen marionettenbewind was, maar de hartewens van vele Fransen verwerkelijkte.

De strengheid van de historici tegenover de Vierde Republiek heeft misschien veel te maken met de valse hoop dat met de overwinning op het totalitarisme ook de aloude anti-democratische traditie in Frankrijk gesneuveld was. Nederland kent, zij het op veel kleinere schaal, een dergelijke veroordeling van "Het Bestel' van de jaren vijftig. Ook die negatieve houding is deels ingegeven door de spijt over het uitblijven van een "doorbraak' na de Tweede Wereldoorlog. Veel heeft de strengheid in beide landen trouwens ook te maken met de pijnlijke afwikkeling van het koloniale verleden.

Voor Frankrijk was de dekolonisatie in de jaren vijftig een loden last, een soort politieke betonrot, die elke poging tot regeren al op voorhand frustreerde. Twee socialistische regeringsleiders hebben dat in de tweede helft van de Vierde Republiek in het bijzonder moeten ervaren: Pierre Mendès France (1907-1982), die premier was van juni 1954 tot februari 1955, en Guy Mollet (1905-1975) die dat was van januari 1956 tot april 1957 en daarmee de langstzittende minister-president van de Vierde Republiek. Terwijl beider kabinet over de koloniale politiek struikelde, is de reputatie van Mendès France als verlicht politicus overeind gebleven, en is Mollet als een eng nationalist de geschiedenis ingegaan.

Aan elk is onlangs een biografie gewijd. Met zijn Guy Mollet. Le mal aimé wil Denis Lefebvre het blazoen van zijn hoofdpersoon zuiveren, of althans ""een analyse geven waar tot nu toe beschuldiging de regel was'. Een zodanige poging tot nieuw perspectief is niet te vinden in de hagiografische levensschets van Mendès France door zijn weduwe, noch in de passages die Georgette Elgey aan de socialist wijdt.

HELDENROMAN

Het nu verschenen derde deel van Elgeys kroniek begint met de spectaculaire sprong op het politieke toneel van Mendès France, en zij verhaalt het als een heldenroman. De nieuwe regeringsleider beloofde het parlement binnen één maand een eervolle vrede te zullen sluiten in Indochina, en anders af te treden. Na acht jaar strijd in Vietnam, en met de vreselijke nederlaag van Dien Bien Phoe nog vers in het geheugen, was Frankrijk rijp voor een snelle afhandeling van de uitzichtloze toestand. Inderdaad keerde Mendès France na een maand onderhandelen op het scherp van de snede met de guerrilla-beweging Vietmin, en met de ministers van buitenlandse zaken van de Sovjet-Unie en China, Molotov en Zhou Enlai, eind juli 1956 uit Genève terug met een akkoord.

Dat die overeenkomst over de dekolonisatie van Vietnam, Cambodja en Laos ertoe leidde dat de Amerikanen zich stortten op Indochina, was de Fransen een zorg. Zij haalden opgelucht adem, zeker toen Mendès France er en passant in slaagde de onafhankelijkheidsbeweging in Tunesië de wind uit de zeilen te nemen door het land interne autonomie toe te zeggen.

Deze twee successen waren vrucht van een bijzondere persoonlijke diplomatie en zij verklaren gedeeltelijk de populariteit van de premier bij het Franse publiek. Zijn pragmatisch optreden, niet gehinderd door ideologische scherpslijperij of partijbelangen, maakte hem echter tezelfdertijd verdacht bij de gevestigde politici. Zo was Mendès France het "monstre sacré' van de intellectuelen en het "b^ete noire' van het establishment.

Aan die oude etiketten is Elgey niet kunnen ontsnappen. Ze bekent dat dit derde deel van haar Histoire de la IVe république onder andere zo lang op zich heeft laten wachten (het tweede verscheen al in 1968!) omdat zij zich zo sterk betrokken voelde bij de persoon en politiek van Mendès France. Dat gevoel blijkt niet versleten. In haar aantrekkelijke portrettengalerij van grote politici van de Vierde Republiek, geschilderd niet slechts op basis van officiële akten en documenten maar ook op grond van gesprekken die zij met de meesten voerde, is die van Mendès France het minst geslaagd. Schrijvend over hem vervalt zij keer op keer in een ronkende onderdanigheid: ""Waarlijk, Mendès France is een man van links, als men toegeeft dat links-zijn betekent dat men in de vervolmaking van de mens gelooft. Hij is links als met links-zijn bedoeld wordt dat men in de verdediging van het vaderland onder bedreiging de opperste plicht ziet. Hij is links als links-zijn is: elk ander dan het democratisch stelsel weigeren.' Het is taal die misplaatst is in een geschiedwerk, en op den duur walging oproept.

En dat terwijl Mendès France wel degelijk lof toekomt voor het gebruik van onorthodoxe methoden bij het uitdragen van zijn opvattingen en het overtuigen van zijn tegenstanders. Zijn gehele persoonlijkheid en intelligentie legde hij daarbij in de schaal, en de onderhandelingen waar hij bij betrokken was, mochten dan niet altijd zo'n eclatant succes opleveren als de akkoorden van Genève, zij dwongen zijn gespreksgenoten bewondering en vertrouwen af. Dat bezorgde hem zelfs een redelijk resultaat op een terrein dat hem eigenlijk vreemd was, de Europese eenwording.

ARGWAAN

Elgey beschrijft op spannende wijze de ontmoetingen van Mendès France met enthousiaste Europeanen als Spaak, Monnet en Adenauer, die hem met argwaan bekeken. En niet zonder reden. In 1954 rustte op Mendès France de ondankbare taak om de Europese partners, plus een meer dan belangstellend Amerika, te vertellen dat het Franse parlement niet bereid was het verdrag over de Europese Defensie Gemeenschap te ratificeren. Dit verdrag, dat een verregaande samenwerking tussen nationale legers onder een supranationaal commando voorschreef, was nota bene in 1950 door de Fransman Monnet opgesteld, en al in 1952 door een Franse minister ondertekend.

Maar al snel was bij een groot gedeelte van de Franse politici het spookbeeld van de Duitse herbewapening opgedoken, de angst voor Duitse soldaten op Frans grondgebied, en, wellicht nog griezeliger, voor Franse soldaten onder Duits bevel. Het was de verdienste van Mendès France dat hij zonder al te veel brokken het plan torpedeerde, en de teleurgestelde Europese partners een paar maanden later wist te winnen voor de West Europese Unie, een aanzienlijk losser verbond van militaire samenwerking.

Daarentegen heeft Mendès France aan binnenlandse wetgeving weinig meer nagelaten dan een berucht verbod op "eigen stook'-alcohol, en ten slotte viel hij na acht maanden over de kwestie die het politieke leven van de Vierde Republiek zou vergiftigen, de oorlog in Algerije.

Het is jammer dat Elgey zo hardnekkig aan de mythe van Mendès France als geweldenaar vasthoudt. Zijn zwichten voor de alcohollobby, een geruchtmakend schandaal vanwege "lekken' bij defensie, en het eerste oproer van de "colons' in Algerije, het zijn in haar ogen allemaal hinderlijke obstakels die haar held verhinderd hebben de loopbaan te nemen die hij in het politieke universum verdiende.

COULISSEN

Zo'n schaamteloze partijdigheid is minder verwonderlijk als die komt van de weduwe van de premier. In L'esprit de liberté overschat Marie Claire Mendès France de betekenis van haar man voor Frankrijk op een pijnlijke wijze: ""Mendès France was mijn Frankrijk. Hij blijft de enige staatsman die ik voor mijn land had kunnen dromen.'

Marie-Claire Mendès France werd "links geboren' en haar weg voerde via de politieke salon van haar moeder en de krantelokalen van haar vader tot de ontmoeting met Mendès France in 1956. In feite was die toen al weer in de coulissen van de Franse politiek teruggekeerd. Haar boek is dan ook voor een goed begrip van het politieke bedrijf in de Vierde Republiek van geen enkel belang.

Des te meer geeft het werk een scherp beeld van het soort zelfoverschattend links activisme dat ook in de Nederlandse betere kringen wel bedreven werd. Zo vertelt Marie Claire met onverholen genoegen hoe Mendès France zich in mei 1968 wél ""met gemak' onder de protesterende studenten durfde te begeven, en Mitterrand niet. Typisch is ook het kokette verslag van de inspanningen die zij en Mendès France, beiden van joodsen huize, zich getroostten om te bemiddelen in het Israelisch-Palestijnse conflict.

De veel te breedsprakige biografie van Guy Mollet is helaas ook al weinig opwekkende lectuur. Guy Mollet, le mal aimé, ""de onbeminde' koos Lefebvre als titel, en wie na lezing van de ruim 500 bladzijden het werk terzijde legt, neemt in zijn gevoel inderdaad afscheid van een dierbare. In Elgeys geschiedenis is Guy Mollet een "loser', zij het een sympathieke, maar bij Lefebvre is hij een tragische held. In tegenstelling tot Mendès France, die zich onafhankelijk opstelde ten opzichte van zijn eigen Radicale Partij, was Mollet in hart en nieren een partijman. Van 1949 tot 1969 was hij aanvoerder van de socialisten. Bovendien was hij van 1945 tot zijn dood in 1975, burgemeester van Atrecht. Zijn kracht lag in het openbaar bestuur en niet in de diplomatie.

Toch is van zijn binnenlandse politiek evenmin veel terecht gekomen als die van Mendès France. Net als de laatste kon hij één groot Europees wapenfeit op zijn naam schrijven, de ondertekening van het Verdrag van Rome in maart 1958. Mollet was op zijn best op meetings en congressen, in commissies, en in de papieren gevechten om moties en resoluties. Zijn werk voor de partij en voor het parlement vertonen de onverzettelijkheid en moed van een bulldog. Dat ging evenwel gepaard met een fnuikend gebrek aan plooibaarheid.

Dat gebrek aan souplesse kwam ook tot uiting in zijn dramatische misrekening met de Frans-Engelse interventie in de Suez-crisis van 1956. Maar afgezien van die door Amerika afgeblazen strijd om het kanaal hangt over zijn figuur een grimmiger schaduw: de martelingen in de Algerijnse oorlog. Lefebvre is zich daar pijnlijk bewust van, en bespaart hem niets, op een uiteindelijke veroordeling na. Bladzijde na bladzijde van deze biografie is gevuld met beschuldigingen, bekentenissen en onderzoeken.

ONVERVREEMDBAAR

Vast staat dat onder Mollet in Algerije op grote schaal gemarteld is door de Franse politie en militairen, en dat de premier daarvan op de hoogte was. Vast staat ook dat hij er tegen was. En ten slotte is eveneens zeker dat hij er weinig tegen ondernomen heeft. Gedeeltelijk omdat hij er weinig aan kon doen, omdat de regering nauwelijks nog greep had op de gebeurtenissen in Algerije in 1956. Maar ook om een andere reden: Algerije werd door de Fransen sinds jaar en dag als een onvervreemdbaar deel van Frankrijk beschouwd en niet als een protectoraat of willekeurig onderdeel van de Franse unie, zoals Tunesië en Marokko. Daarom zagen de Fransen het terrorisme van de FNL, de Algerijnse vrijheidsstrijders, niet als een koloniale opstand, maar als een regelrechte afscheidingsbeweging.

Hoe sterk de band met Algerije beleefd werd, blijkt uit de woorden van Mendès France, toen nog minister-president, kort na de aanvang van de opstand: ""Laat men van ons geen mildheid tegenover het oproer verwachten, geen compromis. Wij geven niet toe als het om de interne vrede en eenheid van de Republiek gaat! Algerije is Frankrijk en niet zomaar een land dat onder onze hoede staat.' Mitterrand, minister van binnenlandse zaken onder Mendès France, voegde daar aan toe: ""De enige onderhandelingen die wij voeren is oorlog'.

Hoewel Mollet meer dan Mitterrand bereid was om te onderhandelen, verschilde zijn opvatting over de eenheid van de natie niet van die van Mendès France. Zijn halfhartige politiek van repressie en hervormingen leed schipbreuk in Algerije en in het parlement. Hij trad af. Zijn wanhoop over de Algerijnse oorlog blijkt wellicht het best uit zijn loyale medewerking aan het autoritaire bewind van de Gaulle die aantrad met de uitdrukkelijke bedoeling om de rust te herstellen. Voor een verklaarde anti-Gaullist was dat een immense stap.